Arrondissementsrechtbank, Correspondentie

2000

Hieronder staat een intern formulier van de uitvoeringsinstelling.

thumbnail

g. bv

Informatieformulier bezwaarschriftprocedure

Aan: afdeling cluster
ontv. registratie AG/S.
Van: afdeling B&B; D5.
Datum: 28 januari 2000
Telefoon: toestel 351
Betreft: bezwaarschriftprocedure ten name van de heer D. te ###
Sofinummer: ###
Rib nummer: ###

Beste J.,

[X] zie bijgaande kopieën van de:
    [X] beslissing op bezwaar
    [X] voorlegger
    [ ] nieuw primair besluit (tijdens bezwaar genomen)
    [ ] FIS-gegevens
    [X] rapportage bva
    [ ] rapportage bad
    [ ] informatie behandelende sector
    [ ] rapportage buitendienst
    [ ] n.v.t.
primair besluit genomen door: H.

het bezwaar is ingetrokken:     n.v.t.
    [ ] spontaan
    [ ] na toelichting
    [ ] na een nieuw primair besluit

Het bezwaar is:
    [ ] gegrond verklaard
    [X] ongegrond verklaard
    [ ] niet-ontvankelijk verklaard

Een of meer van de hieronder aangekruiste activiteiten is/zijn van toepassing.
    [X] geen verdere actie noodzakelijk
    [ ] uitkering nabetalen
    [ ] recht op uitkering werd nog niet vastgesteld; alsnog een primair besluit nemen
    [ ] anders; namelijk:

Indien u na verloop van 3 maanden na dagtekening van de beslissing op bezwaar geen bericht van ons heeft ontvangen, kunt er vanuit gaan dat geen beroep is ingesteld. De sticker "bezwaarprocedure" mag dan worden verwijderd.

Met vriendelijke groet,
Afdeling bezwaar en beroep.


Hieronder staat de beslissing op bezwaar.

thumbnail thumbnail

G.

Datum 31 JAN. 2000

Betreft: beslissing op bezwaar

Geachte heer D.,

Met de beslissing van 31 mei 19 hebben wij u meegedeeld dat uw uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25 % met ingang van 1 juni 1999 wordt voortgezet.

Uw bezwaren
Door en namens u is in het bezwaarschrift en tijdens de hoorzitting van 24 januari 2000 kort weergegeven tegen deze beslissing naar voren gebracht dat u met name als gevolg van lichamelijke klachten niet in staat bent om gedurende 6 uur per werkdag als programmeur te werken in dienst van uw ex-werkgever C.. U acht de beslissing in strijd met de richtlijn "Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium".
Meer in het bijzonder is namens u meegedeeld dat de beslissing niet is gemotiveerd en dat er geen informatie is ingewonnen bij de zogenoemde curatieve sector.
Voor een meer gedetailleerde weergave van de bezwaren op medisch gebied verwijzen wij naar het medisch onderzoeksverslag d.d. 26 januari 2000 van mevrouw D., bezwaar-verzekeringsarts, welk verslag als bijlage als bedoeld in 88d van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij deze beslissing is gevoegd.

Heroverweging:
Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat op grondslag van de aangevoerde bezwaren een heroverweging van het bestreden besluit plaats vindt. Wij hebben in verband hiermee het volgende overwogen.
Volgens vaste rechtspraak dient onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant verlies aan inkomen ten opzichte van het inkomen van de zogeheten maatman.
Zoals steeds in het kader van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen dient het onderzoek te zijn gericht op het objectiveren van de gestelde klachten als uiting of gevolg van een somatisch of psychiatrisch ziek zijn, dan wel een combinatie van beide, waarbij niet doorslaggevend is dat niet altijd exact valt aan te wijzen aan welke ziekte - of welk gebrek - deze klachten zijn toe te schrijven.
Onder verwijzing naar het medisch onderszoeksverslag d.d. 26 januari 2000, zijn wij van oordeel dat u terecht bent ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25 %, aangezien uit de verschillende medische rapportages, waaronder recente rapportages van de behandelende sector, niet kan worden gesteld dat u op medische gronden niet in staat bent uw werkzaamheden van programmeur gedurende zes uur per werkdag te verrichten.

Beslissing
Gezien het voorgaande hebben wij besloten om uw bezwaar ongegrond te verklaren.

Wettelijke grondslag
Deze beslissing is onder meer genomen op grond van het bepaalde in artikel iB van de Wet op de arbeidsorigeschiktheidsverzekering alsmede het bepaalde in de artikelen 6:7, 7:11 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beroep
Indien u het niet eens bent met deze beslissing op bezwaar, kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beslissing in beroep gaan bij de Arrondissementsrechtbank, sector Bestuursrecht te R., correspondentieadres: Postbus ###, R..

In de bijlage bij deze beslissing treft u enige aanwijzingen aan over de wijze waarop u in beroep kunt gaan, alsmede andere inlichtingen die voor u van belang kunnen zijn.

Hoogachtend,
namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de uitvoeringsinstelling
G.
M.
chef bezwaar en beroep


Ook werd een brief aan mijn werkgever gestuurd:

thumbnail

C. B.V.,
t.a.v. mevr. B.
M.

Contactpersoon G.
Datum 31 JAN. 2000

Betreft: bezwaarschriftprocedure ten name van de heer D. te ###.

Geachte mevrouw B.

Wij hebben u in kennis gesteld van de beslissing d.d. 31 mei 1999 waarbij de heer D. op en na 1 juni 1999 ongewijzigd voor 15 tot 25 % arbeidsongeschikt wordt geacht. Tegen die beslissing is namens de heer D. bezwaar gemaakt.

Hierbij sturen wij u een afschrift van de beslissing die op het bezwaar is genomen.

U kunt als mede-belanghebbende desgewenst ook tegen deze beslissing opkomen. Als u het niet eens bent met deze beslissing op bezwaar, kunt u binnen zes weken na dagtekening van deze beslissing op bezwaar beroep instellen bij Arrondissementsrechtbank, sector Bestuursrecht te R.
correspondentieadres: ###.

In de bijlage 'In beroep gaan (tegen een medisch besluit)' treft u enige aanwijzingen aan over de wijze waarop u beroep kunt instellen, alsmede andere inlichtingen die voor u van belang zijn.

Hoogachtend,
namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de uitvoeringsinstelling G. bv
G.
beambte bezwaar en beroep


Hieronder staat een intern formulier van de uitvoeringsinstelling.

thumbnail

g. bv

Bezwaarschriftprocedure kantoor G.
Interne voorlegger AAW/WAO-uitkering

Aan: M2.
Van: D5.
Datum: 3 februari 2000
Belanghebbende: D.
Sofi-nummer: ###
Rib nummer: ###

FEITEN
I.v.m. een wettelijk voorgeschreven herbeoordeling wordt de mate van arbeidsongeschiktheid opnieuw getoetst. Dit leidt tot een
BESLISSING
d.d. 31 mei 1999:
Ingaande 1 juni 1999 de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd nader vast te stellen op 15 tot 25% en dus de arbeidsongeschiktheidsuitkering voort te zetten, berekend naar die klasse.
FORMELE EISEN:
zijn akkoord.
BEZWAAR
In het bezwaarschrift, maar ook tijdens de hoorzitting d.d. 24 januari 2000 is o.a. naar voren gebracht dat belanghebbende niet in staat is om gedurende 6 uren per dag te werken bij de eigen werkgever - C. als programmeur.
Mede wordt aangevoerd dat de beslissing niet is gemotiveerd en dat er geen informatie is ingewonnen bij de zog. curatieve sector. Voor wat betreft de medische aspecten wordt in het verslag van de bezwaarverzekeringsarts hierop nader ingegaan.
BESCHOUWING
Volgens vaste rechtspraak dient onder arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebrek te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een relevant verlies aan inkomen ten opzichte van het inkomen van de maatman.
Onder verwijzing naar het medisch onderzoeksverslag d.d. 26 januari 2000 is er geen aanleiding om aan te nemen dat u op medische gronden niet in staat bent uw werkzaamheden van programmeur gedurende zes uur per werkdag te verrichten.
Aktie/voorstel
Het bezwaar ongegrond te verklaren en een beslissing op bezwaar uit te reiken.

Akkoord Chef Bezwaar en Beroep:
[X] ja   d.d. 31-01-2000
[ ] nee   d.d.


Hieronder staat het voorlopige bezwaarschrift wat mijn advocaat stuurde.

thumbnail thumbnail

BEROEPSCHRIFT
(onder nader aan te voeren gronden)

Aan de arrondissementsrechtbank te R.
Sector Bestuursrecht

GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:

J., wonende te ### (###) aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te ### aan de ### ten kantore van de advocaat en procureur mr P., die ten deze tot gemachtigde wordt gesteld en als zodanig zal optreden met het recht van substitutie en vervanging;

1.   Verweerder ten deze is het LANDELIJK INSTITUUT SOCIALE VERZEKERINGEN, de uitvoeringsinstelling G. B.V.. mede gevestigd te G.,;

2.   Verweerder heeft op 31 januari 2000 een bezwaarschrift, ingediend op 6 juli 1999 door appellante, hierna te noemen "D.", ongegrond verklaard;

3.   D. kan zich met de inhoud van deze beslissing, alsmede met de gronden waarop deze berust, niet verenigen zodat hij recht en belang heeft een beroepschrift in te dienen;

4.   D. behoudt zich het recht voor nadere gronden in te dienen;

5.   D. overlegt de volgende producties:

Productie 1: Bezwaarschrift onder nader aan te voeren gronden d.d. 6 juli 1999
Productie 2: Bezwaarschrift nadere gronden d.d. 1 september 1999
Productie 3: Beslissing op bezwaar verweerder d.d. 31 januari 2000

REDENEN WAAROM:
D. de arrondissementsrechtbank te R. verzoekt de beslissing van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v., te vernietigen en de arbeidsongeschiktheid van D. vast te stellen op 100% dan wel de arbeidsongeschiktheid van D. opnieuw te (laten) beoordelen en het arbeidsongeschiktheidspercentage te laten vaststellen overeenkomstig zijn beperkingen welke beperkingen aanleiding dienen te geven tot een aanmerkelijk hoger arbeidsongeschiktheidspercentage dan door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v. is vastgesteld, dan wel het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v. op te dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van uw uitspraak, dan wel te bepalen dat uw uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, dan wel een beslissing te nemen welke uw rechtbank in goede justitie vermeend te behoren, één en ander met veroordeling van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v. in de kosten van het geding.

###, 10 februari 2000

Gemachtigde


Bovenstaand beroepschrift werd aangevuld met de nadere gronden:

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

BEROEPSCHRIFT
(nadere gronden)

Aan de arrondissementsrechtbank te R.
Sector Bestuursrecht

GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:

D., wonende te ### (###) aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te ### aan de ### ten kantore van de advocaat en procureur mr P., die ten deze tot gemachtigde wordt gesteld en als zodanig zal optreden met het recht van substitutie en vervanging;

1.   Verweerder ten deze is het LANDELIJK INSTITUUT SOCIALE VERZEKERINGEN, de uitvoeringsinstelling G. B.V.. mede gevestigd te ### G., ###;

2.   Verweerder heeft op 31 januari 2000 een bezwaarschrift, ingediend op 6 juli 1999 door appellant, hierna te noemen "D.", ongegrond verklaard;

3.   D. kan zich met de inhoud van deze beslissing, alsmede met de gronden waarop deze berust, niet verenigen zodat hij recht en belang heeft een beroepschrift in te dienen;

4.   D. heeft 10 februari 2000 een beroepschrift onder nader aan te voeren gronden ingediend. Dit beroepschrift wordt bijgevoegd als productie 1 (excl. producties);

5.   D. wenst hier als volledig ingevoegd en geïnsereerd te beschouwen al hetgeen door hem is aangevoerd in het overlegde bezwaarschrift onder nader aan te voeren gronden d.d. 6 juli 1999 (productie 1 bij het pro forma beroepschrift), het bezwaarschrift nadere gronden d.d. 1 september 1999 (productie 2 bij het pro forma beroepschrift), het beroepschrift onder nader aan te voeren gronden bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht en het beroepschrift nadere gronden d.d. 17 juni 1999 (resp. producties 2 en 3 bij het bezwaarschrift nadere gronden d.d. 1 september 1999);

6.   In de beslissing op bezwaar van verweerder d.d. 31 januari 2000 wordt aangegeven dat het bezwaar ongegrond wordt verklaard aangezien verweerder van oordeel is dat D. terecht zou zijn ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 15%-25% aangezien uit de verschillende medische rapporten niet zou kunnen worden gesteld dat D. op medische gronden niet in staat zou zijn zijn arbeid van programmeur gedurende 6 uur per dag te verrichten;

7.   Voor de medische geschiedenis verwijst D. naar hetgeen is gesteld in het bezwaarschrift onder de punten 5 t/m 9;

8.   Verzekeringsarts K. heeft in het kader van de vijfjaarlijkse WAO-beoordeling (20 mei 1999) gesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor psychopathologie en/of een ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Anderzijds heeft de verzekeringsarts de psychiatrische expertise van E. d.d. 26 oktober 1994 (productie 2) gevolgd waarin wordt gesteld dat er sprake is van psychopathologie en/of persoonlijkheidsproblematiek betreffende D.. De conclusie van E. dat D. in staat zou moeten worden geacht om 6 uur per dag werkzaamheden te verrichten, is door de verzekeringsarts gevolgd. De verzekeringsarts heeft zich voorts ten onrechte gebaseerd op het fictieve belastbaarheidsprofiel en F.I.S. van 1997. Een en ander is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

9.   Zoals D. heeft aangegeven is sprake van een ernstige tegenstrijdigheid in de visie van de verzekeringsarts en de visie van psychiater E.. E. stelt dat sprake is van psychopathologie en/of persoonlijkheidsproblematiek (zie punt 10 bezwaarschrift d.d. 1 september 1999). Hij baseert daarop zijn conclusie dat D. in staat zou moeten worden geacht om 6 uur per dag werkzaamheden te verrichten. De verzekeringsarts is het niet eens met E. dat sprake zou zijn van psycho-pathologie doch anderzijds volgt de verzekeringsarts wel de conclusie van E. dat D. in staat zou moeten worden geacht om 6 uur per dag werkzaamheden te verrichten. Indien de verzekeringsarts zich niet kan verenigen met de visie van psychiater E., dan had hij zelf onderzoek dienen te doen naar het antwoord op de vraag hoeveel uur D. in staat zou dienen te worden geacht per dag zijn werkzaamheden te verrichten. Door zich bij zijn oordeel te baseren op de gestelde psychopathologie, wat de verzekeringsarts zelf betwist, handelt hij in strijd met zijn eigen medische conclusies. De verzekeringsarts geeft niet aan op welke overige gronden D. geschikt zou zijn om 6 uur per dag zijn werkzaamheden te verrichten;

10.   Bezwaarverzekeringsarts D. bevestigt eveneens de onjuistheid van het rapport van psychiater E. d.d. 26 oktober 1994. Zij stelt:
"In diverse rapporten komt naar voren dat er geen sprake is van psychopathologie, waardoor betrokkene niet zou kunnen werken. Met dit standpunt is betrokkene het eens. Hij heeft immers een lichamelijke kwaal".
Voorts stelt de bezwaarverzekeringsarts, evenals bezwaarverzekeringsarts K. in het kader van de vijfjaarlijkse WAO-beoordeling, dat D. 6 uur per dag zou kunnen werken in zijn werk. Daarnaast stelt de bezwaarverzekeringsarts dat "nu de klachten eerder toegenomen dan afgenomen zijn" het niet juist zou zijn geweest "deze urenbeperking te vermeerderen";

11.   Mede gezien het feit dat wordt erkend dat geen sprake is van psychopathologie en dat sprake is van toegenomen beperkingen, wordt onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan geconcludeerd zou kunnen worden dat D. 6 uur per dag zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Te meer nu wordt erkend dat sprake is van een toename van beperkingen ligt het in de rede dat geconcludeerd zou worden dat sprake is van een hogere arbeidsongeschiktheid;

12.   D. heeft, zoals eveneens gesteld in het bezwaarschrift (nadere gronden) d.d. 1 september 1999, aanzienlijke beperkingen. Uit de rapportages welke zich in het dossier bevinden van psychologe F. en reumatoloog S8., blijkt dat sprake is van forse objectieveerbare beperkingen. Zo meldt S. dat sprake is van een mechanische functionele stoornis. Er is sprake van een niet goede lichaamshouding met een scoliose van de rug en bovendien een versterkte thoracale kyfose. Dit leidt tot pijnklachten met spierpijn en blokkeringen in de rug. De brief van S. is overlegd als productie 2 bij het bezwaarschrift van 1 september 1999;

13.   Voorts blijkt uit onderzoek van orthopedische chirurg J. dat sprake is van een duidelijk geremd bewegingspatroon van de gehele wervelkolom (productie 3). Verder blijkt uit de brief van H., manueel therapeut, d.d. 17 september 1999 dat sprake is van een extreem slechte cervicale mobiliteit in combinatie met zeer veel stugheid in de weke delen (productie 4). Voor de volledigheid overlegt D. eveneens de brieven van revalidatiearts S. d.d. 23 februari 1999 en 29 april waarbij in elk geval wordt vastgesteld dat sprake is van ernstige invaliderend pijngedrag, doch dat dit niet mogelijk is om D. in aanmerking te laten komen voor een revalidatiebehandeling (productie 5);

14.   De arbeidsongeschiktheid is op grond van de bevindingen van de verzekeringsarts d.d. 23 mei 1993 gehandhaafd op 45%-55%. De verzekeringsarts heeft bij rapportage d.d. 2 september 1993 geconcludeerd dat D. geschikt is voor 6 uur eigen werk per dag. De conclusie wordt gebaseerd op grond van moeheidsklachten waarbij deze moeheid niet veroorzaakt zou worden door minder goede anatomische verhoudingen van de nekwervels. Om deze reden is ook geen verder lichamelijk onderzoek verricht;

15.   Bij rapportage d.d. 20 juni 1996 heeft de verzekeringsarts geconstateerd dat met name vanwege psychogene componenten een belastbaarheid van 6 uur geïndiceerd is;

16.   Zoals uit het hierboven staande voortvloeit, is niet alleen op dit moment sprake van nieuwe gewijzigde medische inzichten van de zijde van G. B.V., doch tevens is sprake van het constateren van aanmerkelijk ernstige gebreken welke in elk geval deels te objectiveren zijn. Dit dient tot gevolg te hebben dat niet zonder nadere motivering kan worden gesteld dat D. geschikt zou zijn om 6 uur per dag zijn werkzaamheden te verrichten en mitsdien slechts voor een percentage van 15%-25% arbeidsongeschikt zou zijn;

17.   Zowel wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel alsmede het motiveringsbeginsel, komt de beschikking op bezwaar mitsdien voor vernietiging in aanmerking;

18.   Voorts wijst D. nogmaals op de richtlijn "Medische Arbeidsongeschiktheidscriterium" (Tica mededeling 96122 van 19 september 1996, besluit LISV 2 april 1997, Sterf 1997, 74). Niet alleen dient een arbeidsongeschiktheidsarts zelfstandig stoornissen, beperkingen of handicaps vast te stellen. Tevens geven de richtlijnen aan dat in geval van een moeilijk objectiveerbare aandoening, zoals de aandoening van D., het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken gemeten of aangetoond kunnen worden, niet betekent dat er geen stoornissen, beperkingen of handicaps bestaan. Van belang is of een bestaand aannemelijk is te achten en hoever het daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte optreedt. De bezwaarverzekeringsarts heeft volstrekt onvoldoende a angegeven op grond waarvan de, overigens erkende beperkingen van D., niet als ziekte in het kader van de wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen worden aangemerkt;

19.   D. wijst er nogmaals op dat gezien al het hierboven gestelde en gezien de duidelijke beperkingen van D. in combinatie met het consistente gedrag van D. en mede gezien het consistente patroon in zijn beperkingen welke wel duidelijk waarneembaar zijn maar niet eenvoudig te duiden als gevolg van een bepaalde ziekte, niet anders dan kan worden geconcludeerd dat sprake is van een onvolledig en onjuist medisch onderzoek van de zijde van het G. (D. wijst dienaangaande op RSV 1999/106 en RSV 1999/111);

20.   Tevens wijst D. erop dat verzuimd is bij het arbeidsongeschiktheidsonderzoek de mogelijkheden van D. te onderzoeken en door de arbeidsdeskundigen de daarmee in overeenstemming zijnde arbeidsmogelijkheden (draagkrachtonderzoek en belastbaarheidsonderzoek). Er is tevens geen belastbaarheidsprofiel opgesteld. Dit klemt te meer nu D. niet meer in dienst is bij C. B.V. te M. (zijn oude werkgever), zodat zijn arbeidsongeschiktheid dan wel zijn arbeidsgeschiktheid ook niet meer afgemeten kan worden aan zijn functioneren als programmeur in dienst van C., zoals destijds (in 1992) wel geschied is bij het bepalen van zijn arbeidsongeschiktheid. Er is mitsdien sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel;

21.   Tenslotte wijst D. er op dat nog geen geldige beslissing is genomen met betrekking tot de ziekmelding van 5 maart 1997;

22.   Gezien het vorenstaande komt de beslissing op bezwaar waarvan beroep voor vernietiging in aanmerking;

REDENEN WAAROM:

D. de arrondissementsrechtbank te R. verzoekt de beslissing van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v., te vernietigen en de arbeidsongeschiktheid van D. vast te stellen op 100% dan wel de arbeidsongeschiktheid van D. opnieuw te (laten) beoordelen en het arbeidsongeschiktheidspercentage te laten vaststellen overeenkomstig zijn beperkingen welke beperkingen aanleiding geven tot een aanmerkelijk hoger arbeidsongeschiktheidspercentage dan door het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v. is vastgesteld, dan wel het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v. op te dragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van uw uitspraak, dan wel te bepalen dat uw uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, dan wel een beslissing te nemen welke uw rechtbank in goede justitie vermeend te behoren, één en ander met veroordeling van het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, de uitvoeringsinstelling G. b.v., in de kosten van het geding.

###, 15 maart 2000

Gemachtigde


Ik stuur een brief aan de jurist van de uitvoeringsinstelling:

thumbnail

Aan: G.
afdeling bezwaar en beroep
t.a.v. mr. G.

(aangetekend)

28 april 2000

Geachte heer G.,

Op 17 en 21 maart 2000 heeft u stukken aan de rechtbank gestuurd. Naar mijn mening heeft u niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken gestuurd. Bij een eerste controle blijkt dat volgende stukken ontbreken:
verslag van psychologe drs. F3., d.d. juli 1997.
• rapportage van bezwaar-verzekeringsarts drs. G., d.d. 22 september 1997.
• brief van bezwaar-verzekeringsarts drs. G., d.d. 2 maart 1998.

Omdat het verslag van psychologe F3. bij het beroepschrift van 10 februari 2000 zit, wil ik u vragen, om binnen een maand de rapportage en de brief van drs. G. alsnog naar de rechtbank te sturen.

Indien u dat niet wilt doen, of indien ik een fout heb gemaakt, zou u dan zo vriendelijk willen zijn om contact met mij op te nemen?

Ik ga er van uit, dat de ontbrekende stukken in het vervolg wel naar de rechtbank worden gestuurd.

Met vriendelijke groet,
D.


Daarop ontving ik de volgende brief:

thumbnail

G.

De heer ing. D.,

Datum -3 MEI 2000
uw brief van 28 april 2000

Betreft: beroepsprocedure

Geachte heer D.,

Hierbij delen wij u mee dat wij uw brief van 28 april 2000 ter verdere behandeling aan de Arrondissementsrechtbank te R. hebben gezonden. Het is namelijk gebruikelijk om over lopende beroepsprocedures via de betrokken beroepsinstanties te corresponderen.

Hoogachtend,
G.


thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

Arrondissementsrechtbank R.
t.a.v. Afdeling Bestuursrecht

24 juli 2000
Uw ref. procedurenummer 00/317 WAO
Van mr P.

Edelachtbare Heer, Vrouwe,

In bovengenoemde kwestie worden de hierna volgende gronden aangevuld bij het beroepschrift d.d. 15 maart 2000.

1. Ten onrechte stelt de bezwaarverzekeringsarts mw D. in het medisch onderzoeksverslag d.d. 26 januari 2000 dat het belastbaarheidspatroon van 1994 niet zou zijn gewijzigd (onder kopje "dossiergegevens"). In tegenstelling tot hetgeen de bezwaarverzekeringsarts meldt is betreffende appellant geen belastbaarheidspatroon vastgesteld zodat de bezwaarverzekeringsarts zich hierop ook niet kan baseren. De vaststelling van de bezwaarverzekeringsarts dat D. in staat zou zijn om 6 uur per dag arbeid te verrichten in zijn eigen werk is dan ook niet gebaseerd op een belastbaarheidspatroon dat zou zijn opgesteld. Dit betekent dat de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in staat zou zijn om 6 uur per dag zijn arbeid te verrichten, onvoldoende gemotiveerd is dan wel gemotiveerd is op een niet bestaande grondslag zodat de beslissing onzorgvuldig is genomen;

2. Voorts stelt de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in staat zou zijn om 6 uur arbeid te verrichten in zijn eigen werk. Ook dit laatste is onjuist. Ten tijde van het nemen van de beslissing was D. niet meer in dienst bij zijn werkgever. Hoewel D. reeds vanaf 5 maart 1997 in het geheel geen arbeid in loondienst meer verrichtte bij zijn werkgever, C. te M., is de dienstbetrekking per 1 oktober 1999 formeel beëindigd. Appellant was derhalve reeds om deze reden feitelijk niet meer in staat om arbeid te verrichten bij zijn werkgever. Zoals hiervoor reeds medegedeeld, was appellant grotendeels in 1997, in 1998 en in geheel 1999 niet in staat om arbeid te verrichten bij zijn werkgever. Louter om formele redenen is de arbeidsverhouding bij zijn werkgever tot 1 oktober 1999 gecontinueerd. Enige mogelijkheid voor terugkeer van appellant was echter niet aanwezig omdat in zijn functie reeds geruime tijd voorzien is;

3. Het verzuim van de bezwaarverzekeringsarts D. wreekt zich eveneens in de rapportage van verzekeringsgeneeskundige K.. Ook hij gaat uit van een niet bestaand belastbaarheidspatroon uit 1994;

4. Feitelijk is met betrekking tot appellant nimmer een belastbaarheidspatroon opgesteld. Bij GMD-rapportage d.d. 27 mei 1993 heeft verzekeringsgeneeskundige P. appellant meegedeeld dat hij geen ziekte of gebrek kon vinden die het zou rechtvaardigen om halve dagen te blijven werken. P. heeft, overigens onbeargumenteerd, aangegeven dat appellant na afloop van zijn vakantie 6 uur zou dienen te gaan werken bij zijn werkgever. In de rapportage van de Gemeenschappelijke Medische Dienst d.d. 2 september 1993 van verzekeringsgeneeskundige P. wordt appellant geschikt geacht voor 6 uur eigen werk. Daarop volgt op 17 september 1993 het advies van mw O., arbeidsdeskundige. Deze stelt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage zou dienen te worden vastgesteld op 22,2% aangezien appellant 6 uur per dag zou kunnen werken en uitgaande van een 36-urige werkweek. De uitvoeringsinstelling besluit in oktober 1993 het arbeidsongeschiktheidspercentage met ingang van 1 oktober 1993 vast te stellen op 15%-25% (WAO-uitkering van 14%). Deze visie heeft verweerder tot op heden gehandhaafd;

5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat nimmer een belastbaarheidspatroon is opgesteld. Feitelijk is nimmer een maatmaninkomen vastgesteld overeenkomstig de ook destijds geldende normen. Ook is niet, zoals vereist overeenkomstig de nieuwe richtlijnen, een persoonsprofiel opgesteld van appellant op grond waarvan de maatman bepaald zou kunnen worden met behulp van het FIS. Het FIS is met betrekking tot appellant nimmer gehanteerd. In zowel het schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong alsmede in het Wijzigingsbesluit is geregeld dat de arbeid waarmee appellant per uur het meest zou kunnen verdienen, nader dient te worden omschreven in de vorm van tenminste 3 verschillende in Nederland uitgeoefende functies waarmee het hoogste inkomen per uur kan worden verworven. Deze fuhcties dienen tezamen tenminste 30 arbeidsplaatsen te vertegenwoordigen. Bij de schatting dient in aanmerking te worden genomen het loon van de middelste van de in het eerste lid bedoelde functies. Voor zover de theoretische schatting gebaseerd zou zijn op minder dan 3 functies, dienen deze te worden herzien door de uitvoeringsorganen. Dit betreft ook de beslissingen, genomen voor de inwerkingtreding van het Schattingsbesluit (van 10 augustus 1994). Voor al deze beslissingen geldt dat daarvoor, met toepassing van artikel 3 van het Schattingsbesluit, een nieuw besluit in de plaats zou dienen te worden gesteld.

Dit nieuwe besluit houdt ofwel in dat aan de oorspronkelijke schattingsbeslissing alsnog tenminste 3 functies ten grondslag worden gelegd ofwel dat geen 3 functies kunnen worden geduid en betrokkene derhalve volledig arbeidsongeschikt is. Het vorenstaande betekent dat ten aanzien van D., mede gezien het feit dat hij bij zijn eigen werkgever reeds geruime tijd geen arbeid meer kan verrichten, een nieuw belastbaarheidspatroon zou dienen te worden opgesteld en alsnog een maatman zou dienen te worden bepaald. Dit is echter nimmer geschied;

6. Gezien het vorenstaande komt de beslissing van verweerder in elk geval reeds voor vernietiging in aanmerking nu op onjuiste gronden wordt geconcludeerd dat D. 6 uur per dag arbeid zou kunnen verrichten. Dienaangaande dient nieuw onderzoek plaats te vinden;

7. Nog afgezien van het feit dat zowel de verzekeringsgeneeskundige in 1999 alsmede de bezwaarverzekeringsdeskundige in 2000 zich baseren op een niet bestaande belastbaarheidspatroon, heeft verweerder verzuimd de juiste gegevens in het dossier van appellant te voegen en de onjuiste daaruit te verwijderen terwijl voorts onjuiste interpretaties zijn gevolgd ten aanzien van medische begrippen;

8. Ondanks meerdere verzoeken van appellant om de oorspronkelijke rapportage van het R. d.d. 19 november 1992 (productie 22) te verwijderen, heeft verweerder dit steeds geweigerd (productie 23). Voor appellant was toepassing van het correctierecht in deze van uitermate groot belang aangezien het R. in haar rapportage bedoelde om een "mogelijke conclusie" te geven betreffende de beperkingen van appellant terwijl zij per abuis in haar rapportage had geplaatst "conclusie". Ook nu heeft verweerder deze rapportage nog niet verwijderd uit het dossier, blijkens het feit dat deze is verzonden naar uw rechtbank (productie 22). Door de verkeerde gegevens gedurende een reeks van jaren te gebruiken, heeft verweerder zijn beslissingen mitsdien gedurende eveneens een groot aantal jaren gebaseerd op verkeerde veronderstellingen;

9. Hetzelfde geldt betreffende de rapportage van S. d.d. 23 augustus 1993 (productie 24). In deze rapportage heeft de reumatoloog aangegeven dat betreffende appellant sprake is van een mechanisch functionele stoornis. Ten onrechte heeft naar alle waarschijnlijkheid verzekeringsdeskundige P. en in elk geval verzekeringsgeneeskundige L. (in 1996) deze rapportage van S. geïnterpreteerd als zou sprake zijn van psychische beperkingen van appellant. L. schrijft o.a.: "Dr S. wijt de nekpijnen ook aan spierpijn en spreekt van een mechanisch functionele! Stoornis". S. bedoelde echter te zeggen dat de gebreken van appellant juist duiden op een somatische, en niet op een psychische aandoening (brief van S. dienaangaande d.d. 18 decenber 1997 bevindt zich in het dossier);

10. Zelfs verzekeringsarts K. gaat, in weerwil tot de brief, welke hem bekend was dan wel had kunnen zijn van 18 decenber 1997, ervan uit dat geen sprake zou zijn van somatische klachten betreffende appellant;

11. Het vorenstaande illustreert de uitermate onzorgvuldige behandeling van verweerder die dient te leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot volledige herbeoordeling van appellant;

Met de meeste hoogachting,

uw dv.,
P.


Laatste wijziging van deze bladzijde: oktober 2002