In hoger beroep

2004

thumbnail

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

13 mei 2004

Van mr. P.

Edelachtbare heer, vrouwe,

In de bijlage gelieve u aan te treffen een beroepschrift (in drievoud), onder nader aan te voeren gronden, met het verzoek daarmede het nodige te verrichten.

Met de meeste hoogachting,
uw dw.

Hoogachtend,
P.


thumbnail thumbnail

BEROEPSCHRIFT (ONDER NADER AAN TE VOEREN GRONDEN)

Aan de Centrale Raad van Beroep te Utrecht

GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:

D., wonende te ### (###) aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te ### aan de ### ten kantore van de advocaat en procureur mr P., die ten deze tot gemachtigde wordt gesteld en als zodanig zal optreden met het recht van substitutie en vervanging;

1.   Gedaagde ten deze is de Raad van Bestuur van het UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN. mede gevestigd te G.;

2.   Uw Raad heeft bij beslissing d.d. 29 december 1999 een door D. ingediend beroepschrift gegrond verklaard en het besluit van gedaagde d.d. 28 mei 1997 vernietigd (zaaknummer 98/7188 ZW). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft gedaagde bij beslissing van 14 juli 2000 alsnog besloten het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant niet te verhogen (productie 1). Tegen deze beslissing heeft D. een bezwaarschrift ingediend dat met gronden is aangevuld op 13 november 2000. Gedaagde heeft een beslissing genomen op 9 september 2003 (productie 2). Met de beslissing op bezwaar d.d. 9 september 2003 heeft gedaagde voorts een beslissing genomen naar aanleiding van de andere uitspraak van uw Raad d.d. 2 december 2002 tussen appellant en gedaagde waarbij de uitspraak van de rechtbank R. d.d. 14 augustus 2000 is vernietigd en is bepaald dat gedaagde een nieuwe beslissing zal dienen te nemen, in acht nemende de uitspraak van uw Raad (zaaknummer 00/4391 WAO). Appellant heeft beroep aangetekend tegen de beslissing d.d. 9 september 2003 op 15 september 2003 bij de rechtbank R.. De rechtbank R. heeft bij uitspraak d.d. 14 april 2004 het beroep van appellant ongegrond verklaard (productie 3);

3.   D. kan zich met de beslissingen van gedaagde d.d. 14 juli 2000 en 9 september 2003 niet verenigen. Appellant kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank R. d.d. 14 april 2004 zodat hij recht en belang heeft hoger beroep in te stellen;

4.   Appellant behoudt zich het recht voor nadere gronden in te dienen;

REDENEN WAAROM:

Appellant uw Raad verzoekt de aangevallen uitspraak van de rechtbank R. d.d. 14 april 2004 te vernietigen, het inleidend beroep gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te vernietigen en alsnog te bepalen dat appellant op en na 5 maart 1997 voor 100% arbeidsongeschikt dient te worden geacht dan wel een beslissing te nemen welke uw Raad in goede justitie vermeend te behoren, één en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

M., 13 mei 2004

Gemachtigde


thumbnail

Centrale Raad van Beroep

###advocaten
tav de heer mr. P.

Datum 18 mei 2004
Ons kenmerk CRvB 04/2718 WAO 94
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw beroepschrift.

Bij de behandeling van het beroep neemt de Raad de richtlijnen in acht die zijn neergelegd in de Procesregeling Centrale Raad van Beroep (Stort. 2001, 243). De tekst van deze procesregeling kan worden geraadpleegd op www.rechtspraak.nl. Met deze richtlijnen wordt onder meer beoogd de bij de Raad aanhangige procedures zo kort mogelijk te houden. Om dit doel te bereiken hanteert de Raad vaste termijnen voor de verschillende onderdelen van de procedure. Deze termijnen zullen, voor zover voor u van belang, steeds schriftelijk worden meegedeeld. Van de gestelde termijnen wordt in beginsel niet afgeweken. Uitstel voor het verrichten van proceshandelingen wordt aan de betrokken partijen slechts verleend in bijzondere omstandigheden en indien daarom tijdig (dat wil zeggen voor het einde van de termijn), onder opgave van redenen, is verzocht.

Op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens deel ik u hierbij mee, dat de persoonsgegevens van partijen, voorzover nodig, worden verwerkt in een registratiesysteem.

Te zijner tijd ontvangt u nader bericht.

Hoogachtend,
de griffier,
###


Een vergelijkbare brief zoals die hierboven werd door de Centrale Raad van Beroep ook aan de UWV verstuurd.

thumbnail thumbnail

Centrale Raad van Beroep
Utrecht

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
G.

Datum 18 mei 2004
Ons kenmerk CRvB 04 / 2718 WAO 94
Uw kenmerk
Bijlage(n)
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer/mevrouw

Hierbij bericht ik u dat hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank te R. van 14 april 2004, nr. WAO 03/2783 ZWI.

Bij de behandeling van het beroep neemt de Raad de richtlijnen in acht die zijn neergelegd in de Procesregeling Centrale Raad van Beroep (Stcrt. 2001, 243). De tekst van deze procesregeling kan worden geraadpleegd op www.rechtspraak.nl. Met deze richtlijnen wordt onder meer beoogd de bij de Raad aanhangige procedures zo kort mogelijk te houden. Om dit doel te bereiken hanteert de Raad vaste termijnen voor de verschillende onderdelen van de procedure. Deze termijnen zullen, voor zover voor u van belang, steeds schriftelijk worden meegedeeld. Van de gestelde termijnen wordt in beginsel niet afgeweken. Uitstel voor het verrichten van proceshandelingen wordt aan de betrokken partijen slechts verleend in bijzondere omstandigheden en indien daarom tijdig (dat wil zeggen voor het einde van de termijn), onder opgave van redenen, is verzocht.

Op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens deel ik u hierbij mee, dat de persoonsgegevens van partijen, voorzover nodig, worden verwerkt in een registratiesysteem.

Te zijner tijd ontvangt u nader bericht.

Hoogachtend,
de griffier,
###


Hieronder staat een interne brief van het UWV.

thumbnail

UWV

Memo

Aan
G. ag cluster 1

Datum 19 mei 2004
Van B&B, S.
Ons kenmerk B&B ###

Onderwerp
Hoger beroepszaak ten name van : D.
Sofi-nummer : ###

Beste collega,

Hierbij sturen wij u een kopie van het beroepschrift ter kennisname. Om tijdens de beroepsprocedure niet voor onverwachte situaties te komen staan verzoeken wij u het volgende:
- Geef eventuele opmerkingen die u wilt maken over het beroepschrift zo snel mogelijk aan ons door.
- Geef nadere gegevens/stukken aan ons door die u in verband met deze belanghebbende ontvangt, zoals schriftelijke of mondelinge reacties of inlichtingen van artsen.
- Houdt rekening met de lopende beroepszaak bij het uitbrengen van nieuwe adviezen of beslissingen, en neem daarover zonodig contact met ons op.

Als de Centrale Raad van Beroep op het hoger beroep heeft beslist sturen wij u een kopie van de uitspraak. Dan informeren wij u ook over eventuele uit te voeren activiteiten.

Met vriendelijke groet,
S.
Afdeling B&B G.


thumbnail

Centrale Raad van Beroep

###advocaten
tav de heer mr. P.

Datum 25 mei 2004
Ons kenmerk CRvB 04 / 2718 WAO 94
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

U hebt (hoger) beroep ingesteld.

Uw beroepschrift bevat echter niet de gronden van het beroep.

Ik stel u in de gelegenheid dit verzuim binnen vier weken na dagtekening van deze brief te herstellen.

Volledigheidshalve deel ik u mee, dat alle gedingstukken die in eerste aanleg zijn overgelegd, inclusief het Proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting en de overgelegde pleitnota's met eventuele bijlagen, door de desbetreffende rechtbank aan deze Raad worden toegezonden. U kunt volstaan met een verwijzing naar deze stukken. Ik verzoek u deze stukken niet meer toe te zenden.

Hoogachtend,
de griffier
###


Blijkbaar heeft m'n advocaat een verzoek gedaan om het uit te stellen, want ik ontving via m'n advocaat de volgende brief:

thumbnail

Centrale Raad van Beroep

###advocaten
tav de heer mr. P.

Datum 11 juni 2004
Ons kenmerk CRvB 04 / 2718 WAO 94
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

Naar aanleiding van uw verzoek om uitstel voor het indienen van de beroepsgronden deel ik u mee, dat de termijn is verlengd tot en met 30 juni 2004.

Hoogachtend,
de griffier,
###


De Centrale Raad van Beroep stuurt enkele stukken. Hieronder de begeleidende brief.

thumbnail
Centrale Raad van Beroep

### advocaten
tav de heer mr. P.
Datum 17 juni 2004
Ons kenmerk CRvB 04 / 2718 WAO 94
Bijlage(n)
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Geachte heer,

Hierbij doe ik u een afschrift toekomen van één of meer nader aan het dossier toegevoegde stukken.   pv

Hoogachtend,
de griffier.

Hieronder staat het aanvullend beroepschrift dat mijn advocaat schreef, eerst staat hieronder de begeleidende brief.

thumbnail

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

###, 29 juni 2004
Uw ref. CRvB 04/2718 WAO 94
Van mr. P.

Edelachtbare heer, vrouwe,

Bijgaand gelieve u aan te treffen in drievoud een beroepschrift met het verzoek daarmee het nodige te verrichten.

Een kopie van dit verzoekschrift (excl. producties) zend ik heden per telefax.

Hoogachtend,
P.


thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

BEROEPSCHRIFT
(NADERE GRONDEN)

Aan de Centrale Raad van Beroep te Utrecht

GEEFT EERBIEDIG TE KENNEN:

D., wonende te ### (###) aan de ###, te dezer zake domicilie kiezende te ### aan de ### ten kantore van de advocaat en procureur mr. P., die ten deze tot gemachtigde wordt gesteld en als zodanig zal optreden met het recht van substitutie en vervanging;

1. Gedaagde ten deze is de Raad van Bestuur van het UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN, mede gevestigd te G. (###);

2. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als het "UWV". Appellant zal hierna worden aangeduid als "D.";

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank R. d.d. 14 april 2004. In deze uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar d.d. 9 september 2003 van het UWV ongegrond heeft verklaard. D. heeft een beroepschrift onder nader aan te voeren gronden ingediend op 13 mei 2004;

4. D. wenst de gronden bij dit beroepschrift nader aan te vullen. Daarbij wenst D. al hetgeen is aangevoerd in het beroepschrift d.d. 15 september 2003, het beroepschrift d.d. 16 oktober 2003 en de pleitnota d.d. 18 maart 2004 (inclusief de aanvulling op de pleitnotities geschreven door D. zelf (productie 1)) als hier volledig ingevoerd en geinsereerd beschouwd te zien;

5. D. wenst de kwestie integraal aan uw College voor te leggen ter beoordeling;

6. De beslissing op bezwaar van het UWV d.d. 9 september 2003 bevat feitelijk twee beslissingen (op bezwaar). Tegen deze beslissingen heeft D. beroep ingesteld (zie in verband daarmee onder meer de pleitnotities d.d. 18 maart 2004);

7. Uw Raad heeft bij beslissing tussen partijen d.d. 29 december 1999 een door D. ingediend beroepschrift gegrond verklaard en het besluit van het UWV d.d. 28 mei 1997 vernietigd omdat het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel (productie 2 bij beroepschrift rechtbank 16 oktober 2003). Het UWV heeft daarop alsnog bij beslissing van 14 juli 2000 besloten dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering van D. niet zou worden verhoogd. D. heeft tegen deze beslissing een bezwaarschrift ingediend (productie 3 en 4 bij beroepschrift rechtbank d.d. 16 oktober 2003). Dit bezwaarschrift is uiteindelijk uitgemond in een beslissing van het UWV d.d. 9 september 2003 (productie 2 bij beroepschrift onder nader aan te voeren gronden Centrale Raad van Beroep d.d. 13 mei 2004);

8. Met de beslissing d.d. 9 september 2003 is tevens een beslissing op bezwaar genomen naar aanleiding van een uitspraak van uw Raad d.d. 19 november 2002 (productie 5 bij beroepschrift rechtbank d.d. 16 oktober 2003);

9. Uw Raad heeft in zijn uitspraak d.d. 29 december 1999 geoordeeld dat het UWV de melding van D. van 5 maart 1997 had dienen te behandelen als een aanvraag om toepassing van artikel 39a van de WAO. Dit had het UWV niet gedaan zodat het door het UWV genomen besluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Conform de richtlijn "Toegenomen arbeidsongeschiktheid door "dezelfde oorzaak"" van het UWV had de verzekeringsarts eerst aannemelijk moeten maken of de mogelijkheden van D. om te functioneren sedert het laatste onderzoek duidelijk waren afgenomen. Indien deze zouden zijn afgenomen dan had de verzekeringsarts dienen te bezien of de afname van de mogelijkheden in overwegende mate voort zou komen uit dezelfde oorzaak. Vervolgens had arbeidsdeskundig onderzoek dienen plaats te vinden om vast te stellen of de arbeidsongeschiktheid zou zijn toegenomen en of de garantie van artikel 43a WAO zou kunnen worden toegepast;

10. De beslissing van 14 juli 2000 van het UWV, genomen naar aanleiding van de uitspraak van uw Raad van 29 december 1999, geeft niet blijk van een dergelijke beoordeling. Ook de beslissing op bezwaar van 9 september 2003 laat niet zien dat het UWV conform de geldende richtlijnen heeft gehandeld;

11. Anderzijds had het UWV dienen te beslissen conform hetgeen uw Raad heeft overwogen in zijn uitspraak d.d. 19 november 2002. Uw Raad heeft in deze uitspraak onder meer overwogen dat het besluit van het UWV d.d. 31 mei 1999 (waarbij het UWV de arbeidsongeschiktheid had vastgesteld op een percentage van 15-25% met ingang van 1 juni 1999) was gebaseerd op de overweging dat D. zijn werk van programmeur bij C. BV gedurende zes uur per dag zou kunnen verrichten. Doordat de schatting gebaseerd was op ongeschiktheid voor een gedeelte van de maatmanarbeid heeft het UWV een onjuiste maatstaf aangelegd;

12. Wat betreft de medische aspecten heeft uw Raad overwogen dat het in de omstandigheden van het geval niet aangewezen is om, mede gelet op het tijdsverloop sedert 1994, een vergelijking te maken van de belastbaarheid van D. in 1999 en in 1994 op basis van de medische oordeelsvorming omtrent zijn gezondheidstoestand in 1994 omdat de urenbeperking, die toen is aanvaard, mede ingegeven is door overwegingen met betrekking tot de door het UWV aangenomen psychische toestand van D., welke opvatting het UWV (bezwaarverzekeringsarts D2.) blijkens de rapportage van d.d. 26 januari 2000 heeft verlaten. Om die reden heeft uw Raad overwogen dat dient te worden beoordeeld in welke mate D. op 1 juni 1999 ten gevolge van zijn gezondheidstoestand beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid. De urenbeperking van zes uur per dag had betrekking op het eigen werk van D. als computerprogrammeur. Uitgaande van deze urenbeperking (D. betwist overigen dat een belasting van 6 uren reëel is) zou een theoretische schatting moeten worden gemaakt van voor D. geschikte functies en zou bij de medische oordeelsvorming zelfstandig dienen te worden nagegaan of er aanleiding is, en zo ja in welke omvang, om een medische urenbeperking vast te stellen in het geval andere functies voor hem worden geselecteerd, die in overeenstemming zijn met de medische beperkingen van D.;

13. Het UWV geeft er in de beslissing van 9 september 2003 geen blijk van dat een beoordeling is gegeven conform hetgeen uw Raad heeft overwogen;

14. Uit het medisch onderzoeksverslag van het UWV, (wederom) opgesteld door bezwaarverzekeringsarts D2. d.d. 15 januari 2003, blijkt dat de beoordeling van de belastbaarheid van D. in 1997 en 1999 mede gebaseerd is op het psychiatrisch rapport van E. d.d. 26 oktober 1994. Dit wekt bevreemding omdat dezelfde bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 26 januari 2000 juist oordeelde dat er geen sprake is van psychopathologie en alleen sprake is van een lichamelijke kwaal;

15. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat zeer beperkt dossierstudie is gedaan. De medische oordeelsvorming is slechts gebaseerd op de eerder door het UWV aangenomen gezondheidstoestand van D. in 1994. Daarbij wordt daarbij derhalve wederom uitgegaan van de destijds aangenomen visie omtrent de psychische toestand van D., terwijl het UWV deze visie juist verlaten heeft!;

16. Feitelijk doet D2. slechts een beroep op het rapport van verzekeringsarts L. van 20 mei 1996 en het rapport van verzekeringsarts K. van 26 mei 1999;

17. Wat betreft de rapportage van L. van 20 mei 1996 merkt D. het volgende op. L. baseert in dit rapport zijn visie op het rapport van E. (die onder meer heeft gesteld dat sprake zou zijn van psychiatrische problematiek). Welnu, deze visie is later door het UWV en ook door D2. verlaten zodat zij zich hier ook niet meer op kan baseren bij het beoordelen van de arbeidsongeschiktheid van D. in 1997 en 1999!

18. Daarnaast geeft L. in zijn rapport een volstrekt onjuiste interpretatie van het begrip mechanisch functionele stoornis, welke term S. heeft gebruikt voor het beschrijven van de beperkingen van D.. L. heeft aangegeven dat dit begrip op een psychische oorzaak van de beperkingen van D. zouden duiden, doch dat is blijkens hetgeen S. later uitdrukkelijk heeft aangegeven niet het geval! (en hetgeen L. in een nog later door D. aangespannen tuchtprocedure ook heeft erkend). Dit was ook D2. bekend, en desalniettemin gebruikt zij juist weer dit rapport van L. om de medische situatie van D. te duiden. Zij gaat hiermee weer op de "psychische toer", volgt de urenbeperking zoals L. en E. die hebben vastgesteld en onder handhaving van die urenbeperking concludeert zij vervolgens zelf dat in psychische zin niets met D. aan de hand zou zijn. Deze visie is ondoorgrondelijk en op zeer onzorgvuldige wijze totstandgekomen;

19. Wat betreft de rapportage van 26 mei 1999 merkt D. het volgende op. In dit rapport, opgesteld door verzekeringsarts K., staat aangegeven dat D. arbeid zou kunnen verrichten voor 6 uren in het eigen werk. Het aantal van 6 uren wordt gebaseerd op het rapport van E.. Anderzijds stelt K. dat geen sprake is van psychische afwijkingen zodat volstrekt onduidelijk is op grond waarvan K. meent desalniettemin de conclusies wat betreft arbeidsurenbeperking van E. te moeten volgen. D2., die K. in zijn beoordeling volgt, werkt dit ook niet uit;

20. Nu door D2. slechts twee voorhanden zijnde dossierstukken in haar beoordeling zijn betrokken, en dan nog met name de rapportages van de zijde van het UWV die geënt zijn op overwegingen met betrekking tot de psychische toestand van D. (welke D. betwist en door het UWV zelf is verlaten), is het onderzoek door D2. onzorgvuldig uitgevoerd;

21. Het vorenstaande leidt ertoe dat het medisch oordeel van D2. op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat dit oordeel geen basis kan vormen voor het belastbaarheidprofiel

dat D2. naar aanleiding van haar dossierstudie heeft opgesteld;

22. D. is niet betrokken geweest bij het onderzoek van D2. d.d. 15 januari 2003 en ook niet bij het opstellen van het belastbaarheidprofiel, hetgeen eveneens als onzorgvuldig kan worden aangemerkt;

23. Het belastbaarheidprofiel geeft niet de belastingsbeperkingen van D. weer per 5 maart 1997 en 1 juni 1999. D2. gaat uit van bepaalde fysiologische beperkingen, doch waar zij deze op baseert is volstrekt onduidelijk. Zij vloeien niet voort uit de door haar aangehaalde onderzoeken. D. wenst uitdrukkelijk aan te geven dat de beperkingen, opgenomen in het belastbaarheidprofiel, absoluut niet in overeenstemming zijn met zijn reële en feitelijke beperkingen;

24. De beperkingen van D. waren en zijn zeer fors, en worden steeds erger. De toename van klachten, welke op 5 maart 1997 zijn weergegeven, is als volgt samen te vatten:
- het gebruik van spieren is steeds meer beperkt door toename van pijn in de nek;
- de in het verleden opgetreden beperkingen veroorzaken steeds meer hinder;
- er is sprake van sneller optredende hoofdpijn en duizeligheid;
- D. dient globaal in 1997 9 uur per dag te slapen terwijl hij globaal 16 uur per dag in bed ligt. In tegenstelling tot vóór 1997 dient D. 's ochtends 1 a 2 uur te rusten en 's avonds globaal 1 uur. Daarnaast dient D. 's middags 3 uur te rusten;
- D. ondervindt meer hinder van de beperkingen van de cervicale wervelkolom, o.a. C2/C3 en C4 sinds 5 maart 1997;
- D. heeft meer last van verkramping van spieren in de nek;
Voorts verwijst D. naar het dag- en week overzicht d.d. 10 april 1999 en zijn "eigen verhaal" d.d. 20 november 1998;

25. Vanwege zijn nekproblemen kon en kan D. niet dagelijks een paar uur aaneen werken. Met pijnstillers en een halskraag is wel tijdelijk een hogere belasting mogelijk doch dat wreekt zich in de dagen daarna;

26. In het belastbaarheidprofiel wordt uitgegaan van een belastbaarheid van D. van zes uur per dag en 30 uur per week. De feitelijke belastbaarheid van D. is veel lager. Zes uur per dag werken is voor D. onmogelijk, zelfs één dag zes uur werken is onder normale omstandigheden onmogelijk. D. betwist dat hij zes uur per dag voor het eigen werk van computerprogrammeur ingezet zou kunnen worden. Voorts betwist D. dat hij voor andere functies zes uur per dag belast zou kunnen worden. Zelfs al zou D., quod non, zes uur per dag als computerprogrammeur kunnen werken dan betekent dit niet dat hij ook zes uur per dag in andere functies zou kunnen functioneren. Dit is ook niet door het UWV aangetoond en onderzocht;

27. Met betrekking tot het opgestelde belastbaarheidprofiel geeft D. aan dat de belastingen, zoals aangegeven onderde nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 11, 13, 14, 15, 18, 19, 20, 24, 26 en 28, onjuist zijn vastgesteld omdat zij een hogere belasting van D. weergeven dan hij in werkelijkheid kan dragen.(Voorts valt op dat in het belastbaarheidprofiel is aangegeven dat de psychische belastbaarheid is beperkt. Onduidelijk is waarop dit is gebaseerd. D. betwist dit ook);

28. Wat betreft de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige merkt D. op dat hij ook hier niet bij betrokken is geweest, hetgeen als onzorgvuldig aan te merken is (Het is namelijk inmiddels meer dan 10 jaren geleden dat D. is uitgenodigd door een arbeidsdeskundige van het UWV);

29. Omdat het belastbaarheidpatroon zoals dat is vastgesteld onjuist is, zijn eveneens onjuiste gegevens ingevoerd in het functie-informatiesysteem. Er zijn derhalve functies geduid welke D. onmogelijk kan verrichten;

30. De FIS-uitdraaien bevatten geen functies welke in overeenstemming zijn met de feitelijke belastbaarheid van D. per 5 maart 1997 en 1 juni 1999;

31. Niet is onderzocht hoeveel uren per dag D. de gekozen functies zou kunnen vervullen en derhalve in hoeverre zijn gezondheidstoestand een urenbeperking mee zou brengen ten aanzien van de gematchte functies. Er is uitgegaan van een medische urenbeperking van zes uren doch D. stelt zich op het standpunt dat deze urenbeperking onjuist is. Enige onderzoek dienaangaande is niet door het UWV verricht;

32. Op 11 augustus 2003 heeft een hoorzitting plaats gevonden. Het uitgewerkte verslag van een bandopname van deze hoorzitting overlegt D. als productie 2 (D. is bereid en in staat de originele tape aan uw Raad te overleggen);

33. Na de hoorzitting is D. opnieuw onderzocht en wel, wederom, door bezwaarverzekeringsarts D2.. Naast dossierstudie (dat had D2. enige maanden daarvoor al gedaan) heeft lichamelijk onderzoek plaats gevonden. Daarbij heeft D2. onder meer vastgesteld dat de nek stijf is en maar beperkt kan roteren. D2. stelt dat er sedert "de datum in geding geen dramatische veranderingen" zouden zijn opgetreden. Onduidelijk is wat D2. bedoelt met een datum in geding. Als bedoeld zouden zijn de data van 5 maart 1997 en 1 juni 1999 dan is haar conclusie onjuist;

34. Voorts stelt D2. het volgende: "Het rapport van psychiater E. heeft de tuchtrechterlijke toets niet geheel kunnen doorstaan. Dat betekent echter niet automatisch dat de conclusie onjuist was. De rechter blijft uitgaan van deze conclusie". E. heeft de beperkingen van D. gebaseerd op beperkingen van psychiatrische aard. Eerst heeft het UWV deze visie aangehangen. Later heeft het UWV (waaronder de verzekeringsartsen K. en D2.) deze visie verlaten. Ook in de rapportage van 11 augustus 2003 wordt niet gesteld dat sprake is van psychiatrische beperkingen. Om die reden kan niet uit worden gegaan van de conclusies van E. omdat deze gebaseerd zijn op gestelde psychiatrische gebreken van D.. Het conclusies van E. kunnen geen grondslag vormen voor de medische gesteldheid van D.. De overwegingen van D2. zijn volstrekt onnavolgbaar;

35. D2. stelt ten onrechte dat geen oorzaak te vinden zou zijn voor de klachten van D.. Onder meer in het beroepschrift nadere gronden d.d. 16 oktober 2003 heeft D. uitgebreid aangegeven dat zijn klachten wel degelijk geobjectiveerd kunnen worden. D. verwijst kortheidshalve naar de punten 15 en 16 van dit beroepschrift;

36. Voorts stelt D2. dat zij in het klachtenpatroon van D. "geen enkele correlatie kan ontdekken met de geringe standsveranderingen". Dat is onjuist. De rapportage van S. geeft juist wel een objectieve medische basis voor de gebreken van D.. Daarnaast verwijst D. naar de als productie 3 bijgevoegde informatie van het NVMT. Voorts verwijst D. naar de NHG Standaard Duizeligheid (M75), welke wordt overgelegd als productie 4. In deze standaard worden diverse oorzaken aangegeven voor één van de klachten, waarmee D. geconfronteerd wordt. Onderzoek door een neuroloog, cardioloog of KNO-arts zou dan op zijn plaats zijn. D2. heeft nagelaten dit onderzoek te laten verrichten en daarmee ook miskent dat wel degelijk een medische objectivering kan worden gevonden voor de klachten van D.. Daarnaast had D2. juist uitvoerig dienen te motiveren op grond waarvan zij tot de conclusie is gekomen dat geen sprake zou zijn van enig verband tussen het klachtenpatroon van D. en de "standsveranderingen";

37. D2. baseert zich vervolgens in haar onderzoeksverslag wederom op stukken die voorhanden waren in 1994 en destijds hebben geleid tot de conclusie dat D. beperkt arbeidsongeschikt zou zijn terwijl voorts deze stukken waren gebaseerd op (ten onrechte voorgestelde) psychisch gebreken. Dit terwijl inmiddels vaststaat dat deze niet de oorzaak zijn van de klachten van D.;

38. D2. onderbouwt in haar rapportage niet waarom zij D. in staat acht om 6 uren arbeid per dag te verrichten. Deze conclusie vloeit niet logisch voort uit haar rapportage. Voorheen beargumenteerde D2. deze conclusie op de stelling dat de ervaring had geleerd dat betrokkene daarbij beter zou functioneren. Een dergelijke ervaring bestaat echter niet. Naar meermalen daarop gewezen te zijn laat D2. die argumentatie nu achterwege. Zeker in het onderhavige geval had een zeer uitvoerige motivering op zijn plaats geweest, op grond waarvan D2. tot de conclusie zou zijn gekomen tot een belastbaarheid van 6 uren (zie hiertoe de richtlijn rapportageprotocol verzekeringsgeneeskunde, de richtlijn Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium MAOC (productie 5), en de richtlijn Onderzoeksmethoden standaard (productie 6);

39. Uit de conclusies van het onderzoeksverslag, voor zover het gebaseerd is op dossieronderzoek. vloeien niet logisch de medische beperkingen van D. en zijn gezondheidstoestand voort per 5 maart 1997 en 1 juni 1999. Hetzelfde geldt ten aanzien van het lichamelijk onderzoek dat door D2. is verricht. Nog afgezien van het feit dat haar conclusies dienaangaande volstrekt onjuist zijn, kan uit dit onderzoek, dat op 11 augustus 2003 is verricht, niet de gezondheidstoestand van D. worden afgeleid per 5 maart 1997 en 1 juni 1999. Het is derhalve op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen;

40. Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat niet alleen de verzekeringsgeneeskundige conclusies (waaronder de vaststelling van het belastbaarheidpatroon) van D2. onjuist zijn, maar ook het onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden terwijl tevens sprake is van een onjuiste en onvolledige motivering;

41. Het rapport van bezwaararbeidsdeskundige B. d.d. 2 september 2003 is tevens op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen. Er wordt uitgegaan van een verkeerd belastbaarheidpatroon. (D. merkt nog ten overvloede op dat, terwijl de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 11 augustus 2003 uitging van forse beperkingen ter zake van het gebruik in de nek, in het belastbaarheidpatroon slechts opgenomen is dat alleen geen extreme bewegingen mogelijk zouden zijn). Ook overigens zijn de onderdelen die zijn opgenomen in het belastbaarheidonderzoek niet concreet getoetst tijdens het onderzoek dat heeft plaats gevonden op 11 augustus 2003;

42. In tegenstelling tot hetgeen de bezwaararbeidsdeskundige oordeelt is geen van de gekozen functies passend. De beperkingen van D. zijn veel te fors om hem voor deze functies in aanmerking te laten komen terwijl voorts niet is onderzocht wat de medische urenbeperking ten aanzien van de gekozen functies zou zijn;

43. De rechtbank heeft in zijn uitspraak van 14 april 2004 ten onrechte overwogen dat er geen reden zou zijn om te concluderen dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig zou zijn geweest. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hetgeen D2. in haar rapportage naar voren zou hebben gebracht, juist is. Zoals uit het vorenstaande blijkt heeft D2. de urenbeperking en het belastbaarheidpatroon gebaseerd op rapporten die van psychische beperkingen van D. uitgaan, terwijl D2. zelf van mening is dat D. geen psychische gebreken heeft;

44. Zij heeft zich daarnaast voornamelijk gebaseerd op informatie welke heeft geleid tot het bepalen van de arbeidsongeschiktheid van D. in 1994. Medische informatie van na deze datum, welke D. aan het UWV ter beschikking heeft gesteld, is verworpen. Van de zijde van het UWV is sinds maart 1997 slechts zeer beperkt medisch onderzoek op verzoek aan D. verricht. Er is slechts sprake van rapportages van verzekeringsarts G. d.d. 22 september 1997, K. d.d. 26 mei 1999 en D2. (diverse verslagen). Daarentegen heeft D. diverse externe onderzoeken laten verrichten waaruit voortvloeit dat wel degelijk sprake is van forse beperkingen. Dit is onder meer de nadere uitleg van S. d.d. 18 decenber 1997, die heeft aangegeven dat sprake is van een mechanisch functionele stoornis, een niet goede lichaamshouding met een scoliose van de rug en bovendien een versterkte thoracale kyfose. Voorts is voorbijgegaan aan hetgeen drs. F3. heeft gesteld, die van oordeel is dat er geen sprake is van een psychopathologie. Daarnaast heeft orthopedisch chirurg J. geconcludeerd tot een duidelijk geremd bewegingspatroon van de gehele wervelkolom van D.. Ook is sprake van een extreem slechte cervicale mobiliteit van D., zo heeft H., manueel therapeut, op 17 september 1999 geconcludeerd. Ook S. heeft in zijn rapportages d.d. 23 januari 1999 en 21 april 1999 geconcludeerd tot ernstig invaliderend pijngedrag;

45. Dit alles had de rechtbank materieel tot de conclusie dienen te leiden dat sprake is van forse medische beperkingen terwijl daarnaast de beslissing daarom reeds vernietigd had moeten worden vanwege de onzorgvuldige wijze waarop deze tot stand is gekomen en de onvolledige en onjuiste motivering ervan. In elk geval had dit de rechtbank ertoe dienen te bewegen een deskundige te benoemen die de beperkingen van D. per 5 maart 1007 en 1 juni 1999 zou hebben onderzocht;

46. De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat het UWV zich meer dan een decennium heeft gebaseerd op een verkeerd in het dossier opgenomen rapportage van het R. d.d. 19 oktober 1992, waarin ten onrechte werd geconcludeerd dat D. zou lijden aan een somatisatiestoornis waarbij zijn persoonlijkheid omschreven werd als passief-agressief en ontwijkend. Deze rapportage, welke aan het begin heeft gestaan van en ten grondslag heeft gelegen aan jarenlange verkeerde beoordelingen van UWV, heeft D. steeds in negatieve zin achtervolgd. Inmiddels heeft het beroepscollege van het Nederlands Instituut voor Psychologen de auteur van deze rapportage, drs. K7., een maatregel van waarschuwing opgelegd omdat hij zonder overleg deze onjuiste informatie destijds heeft overgelegd aan het UWV. Onder meer heeft het beroepscollege daarbij overwogen dat K. zich had moeten realiseren dat zijn rapportage, gelet op de inhoud en in relatie tot de vraagstelling van, op dit moment, het UWV, voor D. verstrekkende gevolgen zou hebben. En verstrekkende gevolgen heeft zijn rapportage voor D. gehad. Het heeft aan de basis gestaan van alle door het UWV in het afgelopen meer dan 10 jaren genomen beslissingen en daarmee tevens aan de basis van 10 jaren procederen tegen het UWV;

47. K. heeft het UWV op het verkeerde been gezet en het UWV heeft daarna nooit de moed gehad om haar visie aan te passen aan de reële gezondheidstoestand van D.;

48. Tot overmaat van ramp heeft E. in een rapport van 26 oktober 1994 ten onrechte aangegeven dat sprake was van een psychiatrische oorzaak in de problemen van D.. Ook van de conclusie van dit rapport is het UWV jarenlang (eigenlijk nog steeds!) uitgegaan. Psychiater E. is inmiddels wel tuchtrechtelijk veroordeeld ter zake van de aperte onjuistheid van zijn rapportage van 26 oktober 1994;

49. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek dat door het UWV is uitgevoerd is op onzorgvuldige wijze geschied terwijl voorts de conclusies onvoldoende gemotiveerd en onjuist zijn. Uit dit onderzoek, waarop de beslissing van het UWV van 9 september 2003 is gebaseerd, vloeit ook niet logischerwijze de beperkingen van D. voort per 5 maart 1997 en 1 juni 1999;

50. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat bezwaararbeidsdeskundige B. passende functies zou hebben geduid voor D. per 5 maart 1999 en 1 juni 1999 en dat de aan deze functies verbonden belasting de belastbaarheid van D. niet zou overschrijden. Doordat de medische beoordeling niet juist is, is tevens een onjuist belastbaarheidpatroon opgesteld. Daardoor zijn ook onjuiste functies geduid, welke D. onmogelijk zou kunnen verrichten;

51. Bij het berekenen van de arbeidsongeschiktheid is voorts ten onrechte niet gekeken naar de medische urenbeperking van D.. De rechtbank beargumenteert dat standpunt met de stelling dat de visie van de bezwaararbeidsdeskundige wordt gevolgd omdat deze bij uitstek deskundig zou zijn om arbeidsdeskundige conclusies uit de medische beperkingen te trekken;

52. Deze argumentatie voldoet niet. Mede gezien de gemotiveerde betwisting van D. en het nagenoeg ongemotiveerde verweer van het UWV had het in de rede gelegen dat een extern deskundige door de rechtbank zou worden aangesteld die de rechtbank van advies zou kunnen dienen. De rechtbank had ook de zeer gemotiveerde stellingen van D. kunnen volgen en had op basis van zijn stelling kunnen concluderen tot volledige arbeidsongeschiktheid;

53. Mede gezien het feit dat het UWV zich jarenlang heeft gebaseerd op onjuiste informatie, het feit dat na 1997 geen externe onderzoeken meer zijn uitgevoerd aan D., de onderzoeken die hebben plaats gevonden voornamelijk zijn uitgevoerd door één bezwaarverzekeringsarts terwijl daarnaast wel degelijk diverse aanvullende rapportages ter beschikking heeft gesteld aan het UWV en het feit dat de plaatsgevonden onderzoeken die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van 9 september 2003 op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en daarnaast onvoldoende gemotiveerd zijn dient, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, te worden geconcludeerd dat de medische beperkingen van D. van dien aard zijn dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. In elk geval had de rechtbank een deskundige aan dienen te stellen die een onafhankelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van D. zou kunnen maken;

54. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de uitspraak van de rechtbank d.d. 14 april 2004 niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd.

55. D. behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor nadere gronden in te dienen. Voorts wenst D. dat een mondelinge behandeling plaatsvindt. D. verzoekt daarbij uw Raad om D2. op te roepen als getuige.

MET CONCLUSIE:

Appellant uw Raad verzoekt de aangevallen uitspraak van de rechtbank R. d.d. 14 april 2004 te vernietigen, het inleidend beroep gegrond te verklaren, de bestreden besluiten te vernietigen en alsnog te bepalen dat appellant op en na 5 maart 1997 voor 100% arbeidsongeschikt dient te worden geacht dan wel een beslissing te nemen welke uw Raad in goede justitie vermeend te behoren, één en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van deze procedure.

Gemachtigde


Hierboven bij punt 46 wordt een rapportage van 19 oktober 1992 genoemd, dat moet 19 november 1992 zijn.

Het beroepschrift van mijn advocaat, dat hierboven staat, is misschien wel de meest omvangrijkste tot nu toe.
Bij het beroepschrift zaten de volgende bijlagen:

Hieronder staat een brief van De Centrale Raad van Beroep, met daarbij het verweerschrift van het UWV. De reactie van het UWV bestaat uit één zin, die nergens inhoudelijk op in gaat.

thumbnail

Centrale Raad van Beroep

###advocaten
tav de heer mr. P.

Datum 5 juli 2004
Ons kenmerk CRvB 04 / 2718 WAO 94
Onderwerp D. te ### / de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen /

Geachte heer,

Hierbij doe ik u afschrift toekomen van het verweerschrift dat naar aanleiding van uw beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep is ingediend.

Omtrent de verdere afdoening van deze zaak ontvangt u te zijner tijd nader bericht.

Hoogachtend,
de griffier
###


thumbnail

UWV

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

Datum 2 JULI 2004
Van Klantencontactcentrum
Uw kenmerk CRvB 04/2718 WAO 94

Onderwerp
Het hoger beroep met betrekking tot D. te ###

VERWEERSCHRIFT

Naar aanleiding van het aanvullend beroepschrift merken wij op dat de bestreden beslissing naar onze mening op een juiste grondslag berust en voldoende zorgvuldig is voorbereid in verband waarmee wij u verzoeken de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

Hoogachtend,
Namens de Raad van bestuur
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
G.
medewerker bezwaar en beroep


Bij mijn advocaat veranderen enkele administratieve dingen. Hij laat dat met onderstaande brief aan de rechtbank weten.

thumbnail

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

M., 14 februari 2006
onze ref. ###
uw ref. CRvB 04/2718 WAO 94

Edelachtbare heer, vrouwe,

In opgemelde kwestie deel ik u mede dat mijn adresgegevens zijn gewijzigd. Wilt u in het vervolg de correspondentie richten aan onderstaand adres?

###Advocaten
mr. P.

Met vriendelijke groet,
P.


Daarna was er nog wat correspondentie.

Laatste wijziging van deze bladzijde: juni 2007