Zitting en uitspraak Centrale Raad van Beroep

1999

Hieronder volgt de uitnodiging voor de zitting:

thumbnail thumbnail

Centrale Raad van Beroep

AANTEKENEN

De heer mr. P.

Datum 14 oktober 1999
Ons kenmerk 98 / 7188 ZW R009 96
Onderwerp D. / het Landelijk instituut sociale verzekeringen

Hierbij deel ik u mee dat het geding tussen D. en het Landelijk instituut sociale verzekeringen zal worden behandeld ter zitting van de Centrale Raad van Beroep op woensdag 17 november 1999 om 11.10 uur, in het gebouw ### te Utrecht, zittingzaal 16.

De behandeling zal geschieden door een meervoudige kamer, waarin zitting hebben:
mr. ###
mr. ###
mr. ###

Ik nodig u uit bij deze zitting aanwezig te zijn.

U bent niet verplicht om te verschijnen, tenzij u naast deze uitnodiging ook nog een oproeping ontvangt.

Indien u nadere stukken wilt indienen, dan bestaat daartoe de gelegenheid tot uiterlijk tien dagen voor de zitting. Ik wijs u erop dat stukken die nadien worden ontvangen, in beginsel niet bij de behandeling van het geding worden betrokken.

Ten slotte wijs ik u erop dat u getuigen en deskundigen kunt meebrengen of bij aangetekende brief of deurwaardersexploot oproepen, mits daarvan uiterlijk een week voor de dag van de zitting aan de Raad en aan de andere partij(en) mededeling is gedaan, met vermelding van namen en woonplaatsen.

De griffier,


De uitvoeringsinstelling laat weten, dat hun jurist niet naar de zitting komt:

thumbnail

g. bv

Centrale Raad van Beroep
UTRECHT

Datum 2 november 1999
Uw kenmerk 98/7188 ZW R009 96
Uw brief van 14 oktober 1999

Betreft: beroepszaak ten name van D..

Edelgrootachtbare heer,

Naar aanleiding van uw bovenvermeld schrijven delen wij u mede dat in bovengenoemde beroepszaak onzerzijds geen vertegenwoordiging zal plaatsvinden ter zitting van 17 november 1999.

Tevens doen wij u hierbij, op verzoek van de gemachtigde van de heer D., een afschrift toekomen van de rapportage van de verzekeringsarts de heer K. d.d. 26 mei 1999.

Vertrouwende u zo voldoende te hebben ingelicht,

Hoogachtend,

namens het Landelijk instituut sociale verzekeringen
de uitvoeringsinstelling
G. bv
mr M.
chef bezwaar en beroep


Hieronder staat de uitspraak:

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

98/7188 ZW

UITSPRAAK

in het geding tussen:
D., wonende te ###, appellant
en
het Landelijk instituut Sociale verzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij brief van 26 september 1997 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).

De Arrondissementsrechtbank te M. heeft bij uitspraak van 25 augustus 1998 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr P., advocaat, op in het aanvullend beroepschrift -met bijlagen- vermelde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een op 18 januari 1999 gedateerd verweerschrift ingezonden en bij brieven van 4 juni 1999, 27 augustus 1999 en 2 november 1999 nadere inlichtingen en stukken verstrekt.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17 november 1999, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde en zijn moeder, D., als medegemachtigde, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant, geboren in ###, is in 1990 als programmeur in dienst getreden van C. (hierna: C.) te M.. Hij is op 21 april 1992 in verband met vermoeidheidsklachten en later nekklachten arbeidsongeschikt geworden en heeft over de maximum duur van 52 weken uitkering van ziekengeld ingevolge de ZW ontvangen. In aansluiting hierop zijn hem met ingang van 23 maart 1993 uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, omdat hij geschikt werd geacht om voor de helft van de tijd zijn eigen werkzaamheden bij C. te verrichten. Per 1 oktober 1993 is de AAW-uitkering ingetrokken en is de WAO-uitkering verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, omdat appellant in staat werd geacht tot het verrichten van zijn werkzaamheden bij C. gedurende 6 uur per dag.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 2 maart 1995 het beroep tegen besluiten ter zake ongegrond verklaard, mede gezien het advies van de deskundigen S., orthopedisch chirurg, en E., psychiater, dat appellant in staat was gedurende 6 uur per dag zijn werkzaamheden te verrichten.

Blijkens de gedingstukken is de dienstbetrekking van appellant bij C. vanaf 1993 voortgezet en heeft hij zijn werkzaamheden verricht gedurende 4 uur per dag.

Appellant heeft zich voor deze arbeid op 5 maart 1997 ziek gemeld in verband met nekklachten.

Blijkens het afschrift medische kaart heeft de betrokken verzekeringsarts op 21 maart 1997 appellant op het spreekuur onderzocht. Tevens heeft deze arts geconstateerd dat artikel 39a van de WAO aan de orde was, doch dat de arbeidsongeschiktheidsklasse niet veranderde omdat er geen sprake was van toeneming van beperkingen. Bij primair besluit van 27 maart 1997 is aan appellant meegedeeld dat hij op en na 1 april 1997 niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid en daarom met ingang van die datum geen recht (meer) had op ziekengeld.
Naar aanleiding van contact met appellant is vermeld besluit van 27 maart 1997 ingetrokken bij brief van 4 april 1997 met de overwegingen dat de herstelmelding in het kader van de ZW geen rechtelijke basis had. Uit onderzoek was slechts gebleken dat de wet "Amber" van toepassing was, doch dat de WAO-klasse niet veranderd was. Appellant heeft vervolgens op 10 april 1997 een verzekeringsarts bezocht, bij welke gelegenheid aan appellant uitleg is gegeven omtrent de brief van 4 april 1997. Daarna is hij op 21 mei 1997 door een verzekeringsarts onderzocht, bij welke gelegenheid hij wederom hersteld is verklaard voor zijn arbeid met ingang van 26 mei 1997.

Gedaagde heeft vervolgens bij besluit van 28 mei 1997 aan appellant met ingang van 26 mei 1997 ziekengeld geweigerd welk besluit bij brief van 9 juni 1997 is gemotiveerd met -kort samengevat- de mededelingen dat in verband met de melding van appellant op 5 maart van toegenomen beperkingen niet alleen de toepassing van de wet "Amber" moest worden beoordeeld, doch dat apellant ook in verband met de ZW hersteld moest worden verklaard.

In het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1997 heeft appellant onder meer aangevoerd dat hij in verband met een toeneming van zijn beperkingen, zodra de toegenomen arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken had geduurd, op grond van artikel 39a van de WAO recht had op inschaling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse. Tevens wordt gesteld dat de besluitvorming van gedaagde onzorgvuldig is.

In de bezwaarprocedure is appellant op 16 september 1997 gezien door de bezwaarverzekeringsarts die in zijn rapportage d.d. 22 september 1997 vermeldt dat het onderzoekskader wordt gevormd door de ZW. Blijkens de rapportage heeft deze arts onder meer kennis genomen van de informatie van de reumatoloog S. dat de klachten van appellant bepaald worden door een verkeerde houding en van het door appellant overgelegde rapport van de psychologe F3. van juli 1997, inhoudende dat appellant niet lijdt aan enige psychopathologie.

In het bestreden besluit is vervolgens de beslissing neergelegd dat de in het primaire besluit gegeven weigering van ziekengeld gehandhaafd blijft.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, toetsende aan artikel 19, eerste lid van de ZW, geconcludeerd dat gedaagde zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 26 mei 1997 niet (meer) wegens ziekte ongeschikt is voor zijn arbeid en dat gedaagde hem derhalve terecht per die datum verdere uitkering van ziekengeld heeft geweigerd.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit van 26 september 1997 in rechte stand kan houden. De Raad overweegt in verband hiermee als volgt. Appellant was ten tijde in geding in dienst van C., welke werkgever volgens gedaagde blijkens diens brief van 4 juni 1999 aan de Raad, een verplichting had tot loondoorbetaling aan appellant. Gedaagde heeft bij voormelde brief erop gewezen dat om die reden geen ZW-dossier is aangelegd.
Appellant heeft evenwel, zoals vermeld, mede gevraagd om toepassing van artikel 39a van de WAO.
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat gedaagde de melding van appellant op 5 maart 1997 had moeten behandelen als een aanvraag om toepassing van artikel 39a van de WAO. Gedaagde heeft de vraag naar toepassing van artikel 39a van de WAO in het kader van de behandeling van de melding wel bezien, maar het primaire besluit en in de lijn daarvan het bestreden besluit bevatten evenwel ten onrechte geen beslissing omtrent artikel 39a van de WAO.

De Raad concludeert daarom dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen derhalve voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand bij de rechtbank en f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand bij de Raad, in totaal op f 2.840,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep, Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Draagt gedaagde op een nader besluit te nemen met machtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ad f 2.840,--;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht van in totaal f 215,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr V7. als voorzitter en mr O5. en mr drs V8. als leden, in tegenwoordigheid van mr H8. als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 december 1999.


Hieronder staat een interne brief van de jurist van de uitvoeringsinstelling aan zijn chef.

thumbnail thumbnail

Aan : chef bezwaar en beroep
Van : kantoor G., afdeling Bezwaar en Beroep, G4.
Telefoon : ###
Datum : 20 januari 2000
Betreft : advies hoger beroep in de ZW-beroepszaak ten name van de heer D. te ### (BZ-###, reg.nr. ###)

FEITEN
Betrokkene is op 21 april 1992 in verband met vermoeidheidsklachten en later nekklachten arbeidsongeschikt geworden.
Hij ontving 52 weken ziekengeld. Met ingang van 23 maart 1993 werden hem uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55 %, omdat hij geschikt werd geacht om zijn eigen werkzaamheden te verrichten gedurende de helft van de arbeidstijd. Omdat betrokkene in staat werd geacht om zijn werkzaamheden uit te breiden naar 6 uur per dag werd hij met ingang van 1 oktober 1993 voor 15 tot 25 % arbeidsongeschikt geacht in de zin van de WAO, terwijl de AAW-uitkering met ingang van die datum werd ingetrokken.
Betrokkene bleef ook op en na 1 oktober 1993 voor 4 uur per dag werkzaam. Hij meldde zich opnieuw arbeidsongeschikt met ingang van 5 maart 1997. Bij beslissing van 28 mei 1997 werd hem ziekengeld geweigerd met ingang van 26 mei 1997, omdat hij in staat werd geacht zijn arbeid te verrichten. Hoewel verschillende malen gewezen werd op een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 39a van de WAO, werd hierover geen beslissing uitgereikt.
De primaire ZW-beslissing werd in bezwaar (bij beslissing d.d. 26 september 1997) en in beroep door de rechtbank (bij uitspraak d.d. 25 augustus 1998) bevestigd.

UITSPRAAK CENTRALE RAAD VAN BEROEP.
De uitspraak van 25 augustus 1998 van de rechtbank en de beslissing van 26 september 1997 worden door de CRvB vernietigd, omdat de beslissing in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De melding van arbeidsongeschiktheid met ingang van 5 maart 1997 had volgens de CRvB moeten worden behandeld als een verzoek om toepassing van artikel 39a van de WAO.
De vraag naar toepassing van artikel 39a van de WAO is in het kader van de behandeling van de ziekmelding wel bezien, maar het primaire besluit en in de lijn daarvan het bestreden besluit bevatten echter ten onrechte geen beslissing omtrent artikel 39a van de WAO.

BESCHOUWING
Het standpunt van de CRvB is in zoverre duidelijk dat niet ter discussie staat dat alsnog zal moeten worden beoordeeld of betrokkene na 5 maart 1997 op grond van artikel 39a van de WAO in aanmerking kan komen voor een hogere uitkering. Het verzoek om uitkering met ingang van 5 maart 1997 had kennelijk niet opgevat mogen worden als een verzoek om ziekengeld, maar als een verzoek om een (hogere) WAO-uitkering. Hierover had in ieder geval een beslissing moeten worden uitgereikt.
Dit klemt temeer nu de datum met ingang waarvan betrokkene niet langer ziek wordt geacht (26 mei 1997) meer dan vier weken verwijderd is van de ingangsdatum (5 maart 1997).

ADVIES
Beoordelen of betrokkene in verband met artikel 39a van de WAO in aanmerking kan worden gebracht voor een hogere WAO-uitkering in verband met zijn ao-melding per 5 maart 1997 en hierover een beslissing uitreiken.

kantoor G.
afdeling Bezwaar en Beroep

ACC.C-BB


Bij bovenstaande brief was een handtekening met datum van 21-1-2000 erbij geschreven.

Dezelfde jurist die bovenstaande brief schreef, schreef ook de onderstaande interne correspondentie.

thumbnail

INTERNE CORRESPONDENTIE

aan Ag. trject
naam HG3
van Bezwaar en Beroep
naam G4
toestel 338
datum 21.1.2000

Betreft beroepszaak t.n.v. D. te ### (sofinr: ###).

Hierbij een nota i.v.m. de uitspraak CRvB d.d. 29.12.99.

S.v.p. n.a.v. het in de nota vermelde advies na medisch en arbeidskundig onderzoek een primaire beslissing uitreiken

vr.gr.
G4.

MSez (39a) van toepassing?


De laatste regel van bovenstaande brief is met een ander handschrift.

Het interne formulier hieronder lijkt ook hiermee te maken te hebben.

thumbnail

g. bv
Dk G. - afd. AG

Geleideformulier Claimbeoordeling.

D.
MAN

[ ] claimbeoord. Aw 008
[ ] Waz Aw 006
[ ] Wajong Aw 007
[X] Herz./M.II.O Aw 016/017/018
[ ] TBA / jeugd Aw 019 / AW 20
[ ] Loonk.schat. Aw 021
[ ] Amber Aw 016/017/018
[ ] 1e jaars Aw 016/017/018
[ ] REA/VZ ...

Vraagstelling:
    CBB:
    DATUM:
    DAGLN/GRONDSL:
    AO - KLASSE:
    Datum EWT:

Probleemstelling:
  CBA: B.
  datum: 15/2/00
Zie brief G4. (B&B) dd 20/1/00
Er dient door ons beoordeeld te worden of belh. met de AO melding van 5/3/97 recht heeft op heropening a/g.
ophoging WAO o.g.v art 39a WAO (Amber)
Svp med + arbkundig onderzoek

UITERSTE DATUM:
[ ] datum VA:
[ ] datum AD:
[ ] advies uit voor:

Vragen/opmerkingen
Claimbehandelaar(naam) bestuderen dosier VA/AO
Arbeidsdeskundige(naam)
Verzekeringsarts(naam)

Beslissing Team: ( in te vullen door de CBA!!!) Datum:

DATUM ONDERZOEK VA:
[ ] diagnosecode:
rapp AD d.d.
[ ] kopie WID form
[ ] jaarstukken
brief AD d.d.
[ ] rapp. CBA d.d.

Handtekening + naamstempel:
verzekeringsarts
arbeidsdeskundige
Claimbehandelaar


De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep hield ook een opdracht aan de uitvoeringsinstelling in. Om een nieuwe beslissing te krijgen, diende ik een klacht tegen uitvoeringsinstelling G. in.

Laatste wijziging van deze bladzijde: april 2005