Tweede verzoek voor herziening

2005

Bij een eerste verzoek voor herziening werd door de Rechtbank toch aan de uitspraak van mijn 2e en 4e beroepsprocedure uit 1995 vastgehouden.
Ik had in 2005 eerst het UWV gevraagd om de oude beslissingen overnieuw te doen met mijn brief van 10 oktober 2005, maar daar kreeg ik geen reactie op.
Ik diende daarom bij de Rechtbank een tweede verzoek voor herziening in.

thumbnail thumbnail

Aan: Rechtbank M.
Sector Bestuursrecht M.

15 december 2005
Betreft: Verzoekschrift
Bijlagen: zie inventarislijst

Edelachtbare vrouwe, heer,

Hierbij dien ik in tweevoud een verzoek voor herziening in. De betreffende onherroepelijk geworden uitspraak is van 2 maart 1995 en omvat twee procedures. In 2002 diende ik een eerste verzoek voor herziening in, zodat dit mijn tweede verzoek voor herziening is.

Het betreft de volgende procedures:
• AAW/WAO 93/732 (over de beslissing van 19 oktober 1993)
• AAW/WAO 94/432 (over de beslissing van 19 april 1994)
• Awb 02/127 (eerste verzoek voor herziening)

De aanleiding voor dit verzoek is mijn klacht tegen orthopedisch chirurg S2., die in 1994 door de Rechtbank als deskundige werd aangewezen. Alhoewel het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg geen maatregel heeft opgelegd, heeft de procedure bij het Tuchtcollege nieuwe gegevens opgeleverd die volgens mij een wezenlijk andere kijk geven op de gegevens zoals die toen bekend waren.

Middels mijn brief van 10 oktober 2005 heb ik een verzoek bij het UWV ingediend om de beslissingen van 19 oktober 1993 en 19 april 1994 te herzien. Een duidelijke reactie heb ik echter nog niet ontvangen. Gezien mijn ervaringen met het UWV neem ik aan dat als het UWV niet reageert, dat men dan mijn verzoek niet wil inwilligen. Ik zou een reeks van brieven en klachten kunnen gaan schrijven om een duidelijk antwoord te krijgen, maar daarvoor ontbrak mij de tijd.

In verband met een oproep voor een herkeuring op 8 december 2005 was ik niet in staat om dit verzoekschrift nu al af te ronden. De gronden van mijn verzoek zal ik daarom later aanvullen.

Hoogachtend,
D.

Inventarislijst
Behorende bij het verzoekschrift van 15 december 2005.

Deze inventarislijst is onderverdeeld en is daardoor niet geheel chronologisch.

Bijlage: Orthopedisch chirurg S2.

    Datum             Beschrijving

1.  15 januari 2003   Brief aan Ziekenhuis W..
2.  22 januari 2003   Reactie van Ziekenhuis W..
3.  24 februari 2003  Nogmaals brief aan Ziekenhuis W..
4.  4 maart 2003      Nogmaals reactie van Ziekenhuis W..
5.  11 april 2003     Brief aan orthopedisch chirurg S2..
6.  16 juni 2003      Nogmaals brief aan orthopedisch chirurg S2..
7.  11 april 2003     Reactie van orthopedisch chirurg.
8.  22 augustus 2003  Vraag aan Rechtbank M..
9.  10 september 2003 Reactie van Rechtbank M..
10. 21 april 2004     Klaagschrift aan Regionaal Tuchtcollege.
11. 27 april 2004     Ontvangstbevestiging.
12. 11 mei 2004       Verweerschrift.
13. 15 juni 2004      Repliek.
14. 2 juli 2004       Dupliek.
15. 12 oktober 2004   Beslissing: klacht afgewezen.
16. 10 januari 2005   Voorlopig beroepschrift aan Centraal Tuchtcollege.
17. 13 januari 2005   Ontvangstbevestiging.
18.                   Reglement van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.
19. 4 februari 2005   Aanvullend beroepschrift.
20. 25 februari 2005  Brief van orthopedisch chirurg.
21. 2 augustus 2005   Brief van advocaat van orthopedisch chirurg.
22. 27 september 2005 Brief van D.: niet bij zitting aanwezig.
23. 10 november 2005  Beslissing: beroep verworpen.

Bijlage: Verzoek voor herziening aan UWV

    Datum             Beschrijving

24. 10 oktober 2005   Verzoek aan UWV om oude beslissingen te herzien.
25. 11 oktober 2005   Bewijs van aangetekende verzending en ontvangst.
26. 12 oktober 2005   Brief aan Raad van Bestuur van UWV.
27. 19 oktober 2005   Reactie van UWV op de brief van 12 oktober.


In de lijst met bijlagen staat hierboven dat de "Reactie van orthopedisch chirurg" van 11 april 2003 is, maar die is van 19 juni 2003.

Daarop ontving ik de volgende brief van de Rechtbank:

thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

de Rechtspraak
Rechtbank M.
Sector bestuursrecht

De heer D.

datum 21 december 2005
onderdeel
contactpersoon dhr L.
doorkiesnummer ###
ons kenmerk procedurenummer 05 / 1407 WAO
      casusnummer
uw kenmerk
bijlage(n)
onderwerp Een verzoek om herziening van D. te ###

Geachte heer,

Naar aanleiding van het door u ingediende voorlopige verzoekschrift bericht ik u het volgende. De rechtbank heeft ermee ingestemd, dat de gronden van uw beroep in een later stadium worden ingezonden. Ik wijs u erop dat die gronden zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de dagtekening van deze brief dienen te worden ingediend.

Voldoet u niet aan dit verzoek dan kan de rechtbank uw verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

Hoogachtend,
griffier

de Rechtspraak
Rechtbank M.
Sector bestuursrecht

De heer D.

datum 21 december 2005
contactpersoon dhr L.
doorkiesnummer ###
ons kenmerk procedurenummer 05 / 1407 WAO
      casusnummer
onderwerp Het verzoek om herziening van van D. te ###

Geachte heer,

Hierbij bevestig ik de ontvangst van het verzoekschrift. Het verzoek, dat wordt behandeld door de sector bestuursrecht van de rechtbank, is geregistreerd onder bovengenoemd procedurenummer. Bij de behandeling van het het verzoek neemt de rechtbank de richtlijnen in acht die zijn neergelegd in de Procesregeling Bestuursrecht (Stct. 53). De regeling is te raadplegen op www.rechtspraak.nl.

Met deze richtlijnen wordt onder meer beoogd de bij de rechtbank aanhangig gemaakte procedures zo kort mogelijk te houden. Gestreefd wordt naar een afdoeningstermijn van ten hoogste 12 maanden. Om dit doel te bereiken hanteert de rechtbank vaste termijnen voor de verschillende onderdelen van de procedure, zowel voor zichzelf als voor de rechtzoekenden en de bestuursorganen. Van deze termijnen, die, voor zover voor u van belang, steeds schriftelijk zullen worden medegedeeld, wordt in beginsel niet afgeweken. Uitstel voor het verrichten van de noodzakelijke proceshandelingen wordt slechts verleend in bijzondere omstandigheden en indien daarom tijdig (dat wil zeggen vóór het einde van de termijn) is verzocht.

Eerst zal worden bezien of uw verzoekschrift aan de wettelijke vereisten voldoet en of er ook overigens geen aanleiding bestaat het verzoek reeds aanstonds na vereenvoudigde behandeling af te doen. Indien het verzoekschrift niet aan de wettelijke vereisten voldoet zult u in de gelegenheid worden gesteld het betreffende verzuim te herstellen.

De rechtbank vraagt de stukken en het verweerschrift op bij het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.

Binnen drie maanden na ontvangst van deze stukken (waarvan u een kopie wordt toegezonden) deelt de rechtbank u mede op welke wijze en binnen welke termijn het verzoek verder wordt behandeld. Ook daarna wordt u, in voorkomend geval, van de voortgang van de procedure op de hoogte gehouden. De uitnodiging of oproeping om op een zitting te verschijnen wordt in de regel zes weken voorafgaande aan de betreffende zitting verzonden.

Ik verzoek u goed nota te nemen van de belangrijke aanwijzingen die u als bijlage bij deze brief aantreft.

Hoogachtend,
griffier

BELANGRIJKE AANWIJZINGEN

ADRESWIJZIGING
Een adreswijziging (van uw cliënt) dient u zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de rechtbank, sector bestuursrecht, te melden.

AFWEZIGHEID
Bent u (of uw cliënt) langer dan één week afwezig, dan dient u dit tijdig en onder vermelding van de betreffende data schriftelijk aan de rechtbank, sector bestuursrecht, te melden.

INLICHTINGEN / GRONDEN BEROEP-VERZET
Ontvangt u een verzoek om inlichtingen te verschaffen of om de gronden voor het beroep/verzet in te sturen, dan wel een ontbrekend stuk te doen toekomen, dan bent u gehouden aan dit verzoek gehoor te geven en wel binnen de termijn die bij het verzoek is gesteld.

MEDISCH ONDERZOEK
Aan een oproeping voor een medisch onderzoek dient u (uw cliënt) gevolg te geven. Kunt u (uw cliënt) wegens dringende redenen niet op het spreekuur van de desbetreffende arts verschijnen, dan moet u dit tijdig aan de rechtbank, sector bestuursrecht, melden.

OPROEPINGEN
Wordt u (uw cliënt) opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting of anderszins, dan dient u (uw cliënt) aan deze oproeping gevolg te geven. Bent u (of uw cliënt) wegens dringende redenen verhinderd dan moet u dit tijdig aan de rechtbank, sector bestuursrecht, melden.

WAARSCHUWING !!!!!!!!!!!!!
Het niet naleven van deze verplichtingen kan tot gevolg hebben dat het beroep niet verder wordt behandeld en niet-ontvankelijk wordt verklaard.

PROCESKOSTEN
De rechtbank is bevoegd tot het eventueel toekennen van een vergoeding van proceskosten. Onder proceskosten worden begrepen kosten van professionele rechtsbijstand, kosten deskundigen, kosten getuigen, deurwaardersexploiten, reis- en verblijfkosten. Voor het merendeel van deze kosten bestaan vaste tarieven. Om eventueel voor een vergoeding van proceskosten in aanmerking te komen, dient u hiervoor zelf, zo spoedig mogelijk hangende de procedure, een verzoek in te dienen bij de rechtbank, sector bestuursrecht.

CORRESPONDENTIE
In uw correspondentie dient u altijd het in bijgevoegde brief genoemde procedurenummer te vermelden.

TELEFONISCHE KONTAKTEN
Indien u het algemene telefoonnummer van de rechtbank (###) belt, dient u aan de centrale te melden dat het om een procedure gaat die bij de sector bestuursrecht in behandeling is. U kunt de administratie van de sector bestuursrecht ook rechtstreeks bereiken onder de volgende telefoonnummers: ###, ### en ###.


thumbnail thumbnail

de Rechtspraak
Rechtbank M.
Sector bestuursrecht

De heer D.

datum 27 december 2005
ons kenmerk procedurenummer 05 / 1407 WAO
      casusnummer
onderwerp het beroep van D. te ###

Geachte heer,

Onlangs heb ik de ontvangst van uw beroepschrift bevestigd. Ingevolge artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht is de indiener van een beroepschrift griffierecht verschuldigd. Bijgaand treft u de nota voor het griffierecht aan.

Ik verzoek u bij de betaling gebruik te maken van de aangehechte acceptgiro. Ik maak u erop attent dat het overmaken van gelden via de girodienst en/of banken aanzienlijke tijd kan vergen, zodat het raadzaam is het griffierecht zo spoedig mogelijk over te maken.

Ik vertrouw erop u hiermee van dienst te zijn geweest.

Hoogachtend,
griffier

Nota

Rechtbank M.
Financieel Economisch Beheer

D.

Datum 27.12.2005
Betreft BEROEPSCHRIFT
      D. vs Lisv01
Notanummer 0480014075
Document 21031369

Hierbij wijs ik u erop dat u voor het door u ingediende beroepschrift een griffierecht verschuldigd bent van 37,00 EUR . Van dit griffierecht kan geen vrijstelling of vermindering worden verleend. Het beroepschrift wordt niet in behandeling genomen, voordat het griffierecht is betaald.
Het verschuldigde griffierecht moet zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 4 weken na verzending, zijn bijgeschreven op de vermelde Rabobankrekening. Bij voorkeur door middel van bijgevoegde acceptgiro. Indien binnen die termijn het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Indien naast dit beroep (hoofdzaak) tevens een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, dient het verschuldigde griffierecht in de beroepsprocedure te zijn betaald voordat het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting wordt behandeld.
Het overmaken van geld via de girodienst en/of banken kan aanzienlijk tijd vergen, zodat het raadzaam is het griffierecht zo spoedig mogelijk te voldoen. Indien u dat wenst, kan het griffierecht contant per kas worden voldaan. De kas is geopend op alle werkdagen van 09.00 - 12.00 en van 13.30 - 16.00 uur. Het bezoekadres is: ### te M..
Ik wijs u er voorts op dat het beslissend orgaan het door u betaalde griffierecht aan u dient te vergoeden indien u in het gelijk gesteld wordt.


thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail thumbnail

Aan: Rechtbank M.
Sector Bestuursrecht
M.

Datum: 11 januari 2006
Uw kenmerk: procedurenummer 05 / 1407 WAO
Betreft: Aanvullend verzoekschrift
Bijlagen: zie inventarislijst

Edelachtbare vrouwe, heer,

Hierbij wil ik in tweevoud de gronden van mijn verzoekschrift aanvullen.

Inleiding

In dit aanvullend beroepschrift wil ik duidelijk maken dat een aantal medische conclusies, zoals die in 1995 door de Rechtbank aanvaard zijn, op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Naar mijn mening kan inmiddels wel geconcludeerd worden dat de beslissingen van het Gak uit 1993 en 1994 op onjuiste gronden zijn genomen.

Mijn klachtprocedure tegen orthopedisch chirurg dhr. S2..

1.     Naar mijn mening blijkt uit de procedure bij het Tuchtcollege, dat orthopedisch chirurg S2. het niet eens is met de diagnose van reumatoloog S8.:
• In zijn verweerschrift van 11 mei 2004 schrijft orthopedisch chirurg S2. bij punt 1 dat hij de diagnose van de reumatoloog niet heeft overgenomen: "Ten overvloede vermeld ik hierbij dat het niet overnemen van een diagnose in de conclusie er niets mee te maken heeft dat de behandelend arts zijn werk niet goed zou hebben gedaan."
• Het Regionaal Tuchtcollege schrijft in hun beslissing van 12 oktober 2004: "De arts heeft, zoals gevraagd door de rechtbank, zijn eigen mening over de casus gegeven. Dat dit een andere mening is dan die van een vorige behandelaar, doet niet terzake".

Indien de orthopedisch chirurg wél de diagnose van de reumatoloog had geaccepteerd en vervolgens een uitspraak over mijn lichamelijke belastbaarheid had gedaan, dan was de situatie anders geweest.

Er is naar mijn mening dan ook niets afgedaan aan de diagnose van de reumatoloog, maar doordat orthopedisch chirurg S2. een andere mening heeft, heeft hij de diagnose van de reumatoloog niet meegewogen bij het bepalen van mijn belastbaarheid.

2.     Het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg hebben zich naar mijn mening niet of nauwelijks over mijn klachtpunten uitgesproken.
In het reglement van het Centraal Tuchtcollege staat bij de toelichting bij artikel 2c (zie bijlage bij mijn voorlopig beroepschrift), dat duidelijk gemaakt moet worden tegen welke punten van het Regionaal Tuchtcollege mijn beroep is gericht. Naar mijn mening heb ik dat gedaan, maar daar heeft het Centraal Tuchtcollege niet op gereageerd. In de uitspraak wordt zonder onderbouwing het standpunt van het Regionaal Tuchtcollege overgenomen.

3.     Ik heb erop aangedrongen dat orthopedisch chirurg S2. benoemt waar hij zijn advies om mij door een psychiater te laten onderzoeken op baseerde. In zijn brieven aan het Tuchtcollege heb ik dat echter nergens gelezen. Het lijkt mij gerechtvaardigd om daaruit te concluderen dat hij blijkbaar een reden heeft om na 10 jaar daarvoor nog steeds geen onderbouwing te willen geven.

4.     Eén van de oorzaken voor deze problemen is onder andere de indeling in medische specialismen. Daar kan ik en ook de Rechtbank weinig aan doen.
De keuze om mij door een orthopedisch chirurg te laten onderzoeken is door de Rechtbank gemaakt. Dat is geen onlogische keuze, maar toch neig ik iets meer in de richting van een neuroloog.

Bij een keuring door het UWV op 29 maart 2004 door verzekeringsarts mevr. P2. adviseerde zij het volgende (geluidsopname met toestemming gemaakt):
"In principe gaat het erom dat u wat dat betreft ja zelf alle mogelijke dingen zou moeten doen om uw eigen kwaliteit van leven zo goed mogelijk te maken. En of dat dan is, nog eens naar een neuroloog gaan, of naar een revalidatiearts om te kijken van wat zijn de mogelijkheden, ja dat zou ik u toch adviseren".

Bij mijn klachten is het helaas zo, dat net zo gemakkelijk als een orthopeed kan zeggen dat het niet orthopedisch is, kan ook een neuroloog zeggen dat het niet neurologisch is omdat de oorzaak geen hersenletsel is.
In 1993 heeft de reumatoloog S8. mij niet doorverwezen naar een neuroloog of orthopeed, maar hij heeft zelf een diagnose gesteld. Naar ik aanneem, zou hij mij doorverwezen hebben indien duidelijker was bij welk specialisme mijn klachten horen.

5.     Aangezien zowel orthopeed S2. en het Tuchtcollege (blijkbaar bewust) onduidelijk blijven over mijn klachtpunten, is het volgens mij nu aan de Rechtbank om de zorgvuldigheid te beoordelen. Daarom wil ik de Rechtbank vragen om ook opnieuw naar de zorgvuldigheid en objectiviteit te kijken van de andere rapporten. Om de samenhang duidelijk te maken heb ik een stroomdiagram toegevoegd, dat u als laatste bijlage bij dit aanvullend verzoekschrift vind.

De andere rapporten

Van de andere rapporten zijn vooral de rapporten van verzekeringsarts P. van belang, aangezien hij heeft bepaald dat ik geschikt zou zijn om 6 uur per dag te werken. Ik noem ook de anderen, omdat in 1995 de rapporten van de door de Rechtbank aangewezen deskundigen, en de rapporten van de verzekeringsartsen, samen één geheel leken te vormen. Bij nadere beschouwing blijft daar naar mijn mening maar weinig van over.

Het Riagg.

6.     Klinisch psycholoog drs. K7. van het Riagg heeft een waarschuwing gekregen voor zijn brief van 19 november 1992 aan het G.. Zie daarvoor de uitspraak van 17 oktober 2003 van het College van Beroep van het Nederlands Instituut van Psychologen. Inmiddels weet ik dat al in 1992 bij de verzekeringsartsen bekend had moeten zijn, dat die brief niet correct was.

De psychologische testen die ik heb gedaan omvatte ook een zogenaamde MMPI-test. Bij die test heb ik o.a. de volgende vragen als "onjuist" aangekruist:
• Mijn gezondheid is even goed als die van de meeste van mijn vrienden.
• Ik voel haast nooit pijn in mijn nek.
• De laatste jaren heb ik mij meestal goed gezond gevoeld.
• Ik word zelden of nooit duizelig.
• Ik heb heel weinig last van hoofdpijn.
• Ik heb zelden of nooit pijn.

Drs. K7. van het Riagg schrijft daarom in zijn "verslag psychologisch onderzoek" van 1992 en in zijn brief van 19 november 1992 dat ik een verhoogde score had op de dimensie somatisatiestoornis, overeenkomstig met mijn klachten.
In de brief staat: "Ook het persoonlijkheidsonderzoek geeft een normaal profiel, behalve de dimensie somatisatiestoornis. Dit komt overeen met zijn klachten"

Hij trekt daaruit de conclusie dat mijn klachten psychisch zijn, maar dat had niet gemogen. Er mag geen somatisatiestoornis vastgesteld worden wanneer iemand lichamelijk onvoldoende is onderzocht, en een diagnose mag niet enkel op basis van een psychologische test gesteld worden. Volgens mij hadden de verzekeringsartsen dat moeten weten.
Volgens drs. K7. had hij de informatie dat ik lichamelijk wel voldoende was onderzocht, maar mijn huisarts had toen alleen een bloedonderzoek laten doen.

7.     Ook was in 1992 al duidelijk dat er tegenstrijdigheden in zijn verslag en brief aanwezig zijn.

• Het "verslag psychologisch onderzoek" van drs. K7. begint met: "Vriendelijke, goedverzorgde jongeman,...". Dat is blijkbaar de indruk die ik maakte. Toch schrijft hij in zijn brief van 19 november 1992 behoorlijk negatief over mij, zonder aan te geven waar hij dat op baseert. Hij heeft dat voornamelijk, zonder het te onderzoeken, overgenomen van het verslag van het allereerste evaluatiegesprek bij het Riagg, dat door een sociaal-psychiatrisch-verpleegkundige werd gedaan.
Wat drs. K7. blijkbaar wel heeft onderzocht is of ik me kon concentreren. In zijn verslag staat: "...kan zich heel erg goed concentreren", terwijl in dat zelfde verslag staat dat ik me aangemeld zou hebben met o.a. concentratiestoornissen.

• In zijn brief van 19 november 1992 staat: "Over het algemeen scoort hij laag tot zeer laag wat betreft psychische en psychiatrische problematiek. Dit in tegenstelling tot het gedrag dat hij in de gesprekken laat zien, waarin wel degelijk sprake is van spanningen".
Drs. K7. heeft gezien dat er sprake is van spanningen. Hij gaat er blijkbaar automatisch van uit dat het psychisch is, en dat het daarom in tegenstelling is met de uitkomst van de test. Dat vind ik een zeer merkwaardige conclusie. Volgens mij komt het juist overeen met de test, omdat ik heb ingevuld dat ik lichamelijke klachten had. Op dat moment was ik tenslotte fysiek niet in staat om mijn werk te doen.

Dhr. R., verzekeringsarts voor de Ziektewet.

8.     Verzekeringsarts R. was al van mening dat mijn klachten psychisch van aard waren, nog vóór dat hij de (onjuiste) diagnose van het Riagg heeft ontvangen. In zijn brief aan het Riagg van 30 september 1992 schrijft hij: "...introspectie is mijns inziens nauwelijks aanwezig. De man blijft vasthouden aan zijn klacht van moeheid en zoekt daar, via allerlei therapeuten, hulp voor".

Omdat het onderzoek bij het Riagg merkwaardig verliep en lang duurde, heb ik een beroep gedaan op een zelfstandige psycholoog en een zelfstandige arts. Dat leek mij een verstandige keuze, aangezien het mijn bedoeling was om zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan, ongeacht of mijn klachten lichamelijk of psychisch waren. Maar verzekeringsarts R. wekt de indruk dat ik dat zou doen om niet te hoeven toegeven dat het psychisch zou zijn.

9.     Naar mijn mening is de brief van 30 september 1992 van verzekeringsarts R. niet neutraal opgesteld. Dat is mogelijk van invloed geweest op de conclusies van het Riagg. In die brief refereert hij aan een telefoongesprek van 2 dagen eerder, dus mogelijk heeft hij ook tijdens het telefoongesprek zijn mening gegeven.

10.     In zijn brief van 1 december 1992 schrijft hij: "Het medisch circuit heeft tot nu toe geen aanknoppingspunten kunnen vinden". Daarmee wekt hij de indruk dat ik lichamelijk al voldoende was onderzocht, zodat het wel psychisch zou moeten zijn. Op dat moment had mijn huisarts alleen een bloedonderzoek laten doen, en de zelfstandige arts die ik had geraadpleegd had toen al geconstateerd dat er problemen waren met de beweeglijkheid op sommigen plaatsen in mijn nek en rug. Ik werd pas in 1993 door een specialist (reumatoloog S8.) onderzocht, toen ik al in de W.A.O. zat.

Dhr. P., verzekeringsarts voor de W.A.O.

11.     Dhr. P. schrijft in zijn reactie van 2 februari 1994 op een klacht van mij: "In het medisch circuit geen aanknopingspunten gevonden, aldus de melding".
Die melding is de hierboven genoemde brief van 1 december 1992 van verzekeringsarts R.. Daarmee gaat dus ook verzekeringsarts P. uit van die onjuiste gegevens.

12.     Dhr. P. beschrijft mij als 'rigide'. De eerste keer gebruikt hij dat woord echter bij het lichamelijke onderzoek, maar daarna alleen nog in psychisch opzicht.
• In het rapport van 16 december 1992, blz. 3, bij "Lichamelijk onderzoek" staat: "Rigide, lange jongeman".
• Eén bladzijde verder staat: "Belanghebbende maakt op mij een uitgesproken rigide indruk die sterk aan het somatiseren is".
• In het rapport van 3 februari 1993, blz. 1, bij 'Anamnese' staat: "Rigide persoonlijkheid die sterk somatiseert".
• In zijn brief van 31 januari 1994 staat: "Bh is een uiterst rigide man, die mijn verhaal wel aanhoort, doch het zonder meer afwijst".
Naar mijn mening komt de aap uit de mouw in het rapport van 3 februari 1993 op blz. 2 bij 'Beschouwing'. Daar staat: "Doch mijn stellige houding dat er psychische problematiek moet bestaan en een oorzaak voor zijn moeheid is, deden hem toch besluiten opnieuw naar de huisarts te gaan".

Dhr. P. onderbouwt zijn "stellige houding" doordat hij van mening is dat er al een psychische diagnose door het Riagg is gesteld. Hij schrijft o.a. in datzelfde rapport van 3 februari 1993: "Er vond geen lichamelijk onderzoek plaats omdat gecontraïndiceerd is en somatisatie in de hand werkt". Een andere onderbouwing voor zijn "stellige houding" heb ik in zijn rapporten niet kunnen vinden.

13.     Verzekeringsarts P. schrijft in zijn rapport van 3 februari 1993 ook over mijn huisarts: "Deze had ook al gesproken dat hij zich het beste kon wenden tot een psychiater bij PZ". Dat is onjuist, en dat blijkt volgens mij uit de brief van mijn huisarts (diezelfde huisarts) van 6 december 1994, waarin mijn huisarts het voornamelijk over het rapport van de reumatoloog heeft.

14.     Dhr. P. schrijft in zijn brief van 2 februari 1994 over de diagnose van reumatoloog S8.: "Het consult bij rheumatoloog gaf geen nieuwe gezichtspunten". Daarmee gaat hij voorbij aan de lichamelijke diagnose.
Dat de reumatoloog een lichamelijke diagnose heeft gesteld is ook door het Centraal Tuchtcollege bevestigd. In een beslissing van 18 maart 2003 (zie bijlagen) over een andere verzekeringsarts schrijft het Centraal Tuchtcollege: "Aan klager moet worden toegegeven dat, waar de arts de door de reumatoloog gebruikte term "functioneel" heeft geïnterpreteerd als "psychisch", deze interpretatie op zich niet juist is".
Door de diagnose van de reumatoloog niet te accepteren heeft verzekeringsarts P. naar mijn mening geen rekening gehouden met een lichamelijke oorzaak van mijn klachten.

15.     In zijn rapport van 16 december 1992 staat op blz. 2 (na de door hemzelf aangebrachte correctie): "Als het psychisch was, zou het 4 uur werk grotere belasting moeten zijn dan 1/2 uur zwemmen". Het was feitelijk zo, dat ik iedere dag een half uur zwemmen niet volhield vanwege mijn lichamelijke klachten, en halve dagen werken lukte met veel moeite wel. Dit soort dingen wijst verzekeringsarts P. consequent af, en volgens mij is er daardoor een gebrek aan objectiviteit.

16.     In de uitspraak van 2 maart 1995 schrijft de Rechtbank dat beide deskundigen mij geschikt achten voor mijn eigen werk gedurende 6 uur per dag, en de Rechtbank schrijft daarbij: "De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van voormelde adviezen...".

In een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 november 2002 (zie bijlagen) maakt de Raad een voorzichtige opmerking over de situatie in 1994: "De urenbeperking die toen is aanvaard, is, naar uit de onderliggende stukken blijkt, mede ingegeven door overwegingen met betrekking tot de psychische toestand van appellant...".

In de uitspraak 23 december 2002 (eerste verzoek voor herziening) schrijft de Rechtbank: "De rechtbank is er destijds na het deskundigenbericht vanuit gegaan dat verzoekers psychische gesteldheid niet van invloed was op het verrichten van zijn eigen werk...".
Indien de Rechtbank nu die mening heeft, dan volgt volgens mij daaruit dat de beslissingen van het Gak uit 1993 en 1994 onzorgvuldig zijn, aangezien die zijn gebaseerd op (ik noem het nog maar eens) de "stellige houding" van de verzekeringsarts P. dat er een psychische oorzaak moet zijn.

Doordat de Rechtbank in 1995 haar goedkeuring heeft uitgesproken over de beslissingen van het Gak, heeft de Rechtbank de adviezen van orthopedisch chirurg S2. (niet lichamelijk) en van psychiater E. (wel psychisch) bevestigd. Dat heeft het Gak opgevat dat daarmee bevestigd is dat mijn klachten een psychische oorzaak hebben. Afhankelijk van de verzekeringsarts wordt tegenwoordig wel wat opgeschoven naar de diagnose van reumatoloog S8., maar de 6 uur per dag van verzekeringsarts P. vormt nog steeds de basis. Dit levert vanaf 1995 vele problemen op.

Psychiater dhr. E..

17.     Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg schrijft in de beslissing van 4 december 2001 bij punt 7, dat psychiater E. niet duidelijk maakt aan welke stoornis ik zou lijden en welke beperkingen dat zou opleveren. Volgens mij gaat het gebrek aan onderbouwing nog verder dan dat. Met de volgende twee voorbeelden wil ik dat duidelijk maken:

• De psychiater schrijft in zijn rapport van 26 oktober 1994 op bladzijde 2: "Verder doet hij z'n werk ook graag en het gaat goed met kollega's", om vervolgens op bladzijde 6 te concluderen: "Werk en sociaal verkeer vormen voor betrokkene zo'n bron van stress". Van zo'n conclusie zie ik de logica niet in.
Met stress bedoelt de psychiater hier overigens een psychische belasting, terwijl ik het over een lichamelijke belasting heb gehad.

• In zijn rapport schrijft de psychiater op blz. 4 bij "Visie op het werk", dat hij zich niet kan voorstellen, dat ik een toename van nekklachten krijg wanneer ik wat meer aan sociaal verkeer zou deelnamen. Als de psychiater in de loop van het gesprek zelf constateert dat ik moeite krijg om het gesprek vol te houden, dan interpreteert hij dat als "duidelijke kontaktuele beperkingen" en gaat blijkbaar automatisch uit van een psychische oorzaak. Zijn deskundigheid is er volgens mij voor, om na te gaan of dat inderdaad psychisch is, maar aan die deskundigheid ontbreekt het volgens mij.

18.     In twee latere beslissingen van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg wordt naar mijn mening de waarschuwing voor psychiater E. afgezwakt. In de beslissingen van 18 maart 2003 en 7 december 2004 (zie bijlagen) staat dat de in het rapport van psychiater E. neergelegde psychiatrische bevindingen overeind zijn gebleven.
Het Centraal Tuchtcollege gaat daarbij volgens mij voorbij aan het feit dat psychiater E. zelf zijn opvatting uit 1994 heeft bijgesteld.
Psychiater E. schrijft in zijn brief van 4 mei 2001 aan het Centraal Tuchtcollege: "Aangaande de opmerkingen over het al dan niet bestaan van lichamelijke klachten kan ik zeggen dat voor de heer D. lichamelijke klachten subjectief een gegeven kunnen zijn, terwijl over de oorzaak gedacht kan worden in termen van en/en, zowel psychogeen als somatisch van aard".
Daarmee houdt de psychiater de mogelijkheid open dat er (deels) een lichamelijke oorzaak kan zijn. Volgens mij worden daardoor een aantal stellige beweringen uit zijn rapport van 1994 afgezwakt.

19.     Volgens mij blijkt uit de hiervoor genoemde beslissingen van het Centraal Tuchtcollege, dat ook bij die beslissingen zelf opmerkingen te plaatsen zijn:

• Doordat verzekeringsarts L. in 1995 en 1996 ten onrechte het woord 'functioneel' (in een brief van reumatoloog S8.) heeft geïnterpreteerd als psychisch, heeft hij volgens mij geen rekening gehouden met een lichamelijke oorzaak van mijn klachten. In de beslissing van 18 maart 2003 vindt het Centraal College dat: "voor de uitkomst van het door de arts verrichte onderzoek en zijn rapportage echter van ondergeschikt belang".
Dat lijkt mij onjuist, aangezien het Tuchtcollege niet over het hele WAO-dossier beschikte, en dat de verzekeringsarts geen rekening met een lichamelijke oorzaak heeft gehouden is mijns inziens wel degelijk van belang.

• In de beslissing van het Centraal Tuchtcollege van 7 december 2004 staat bij punt 2.1 dat één van mijn klachtpunten is, dat verzekeringsarts K. zich in 1999 baseerde op een niet-bestaand belastbaarheidsprofiel of belastbaarheidspatroon. Door de verzekeringsarts en het UWV is ook erkend dat zoiets in 1999 nog niet bestond. Het Centraal Tuchtcollege schrijft bij punt 3.6: "De arts heeft vervolgens aangegeven dat hij op grond van dossier onderzoek, eigen spreekuur contact en lichamelijk onderzoek heeft geconcludeerd dat er niet kan worden afgeweken van het eerder vastgestelde belastbaarheidspatroon. De arts geeft inzichtelijk aan waarop hij zijn conclusie stoelt. Ook op dit punt voldoet het rapport naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege aan de vereiste criteria".
Zo'n beoordeling ondermijnt vanzelfsprekend mijn vertrouwen in de medische stand.

Tot slot

20.     Bij nadere beschouwing vormt het volgende met elkaar een consequent geheel:
Het rapport van reumatoloog S8., d.d. 23 augustus 1993.
De brief van osteopaat D., d.d. 9 augustus 1993.
• Mijn klachten, hetgeen ik daarover verteld heb, en hoe ik er mee omga.
De brief van mijn huisarts, d.d. 6 december 1994.
• Zelfs de uitkomst van de psychologische test van het Riagg uit 1992 komt hier mee overeen (zonder de subjectieve toevoegingen van drs. K7.)

21.     Ik heb veel moeite om mij te ontspannen. Bij de gesprekken probeerde ik soms uit beleefdheid op een (te kleine) stoel te blijven zitten terwijl dat door oplopende rugklachten nauwelijks nog mogelijk was. Ook heb ik door mijn nekklachten al snel weinig mimiek in mijn gezicht, en regelmatig reageer ik wat traag bij het beantwoorden van vragen. Dat wordt echter maar weinig objectief beschreven, en vooral door wat er al op papier staat worden er te snel conclusies getrokken.

22.     Hierbij wil ik de Rechtbank om begrip vragen voor de toenmalige situatie waarin ik mij bevond. Ik heb indertijd de keuze gemaakt om niet in hoger beroep te gaan. Indien ik dat wel zou gedaan hebben, dan had ik toendertijd nog niet beschikt over al de gegevens die de verschillende klachtprocedures hebben opgeleverd. Pas nu, ruim tien jaar later, begint duidelijk te worden in hoeverre het kwaliteitsniveau van een aantal rapporten tekort schiet.

Indien toendertijd de gegevens bekend waren zoals die nu bekend zijn, dan had ik anders gehandeld. Naar mijn mening hadden dan ook het Riagg, de verzekeringsartsen en de door de Rechtbank aangewezen deskundigen andere rapporten geschreven.

De juridische situatie is volgens mij niet meer vergelijkbaar met toen. De beslissingen van het Gak van 1993 en 1994 zijn naar mijn mening zeer onzorgvuldig, en daarom wil ik de Rechtbank vragen om haar uitspraak uit 1995 te herzien.

Hoogachtend,
D.

Inventarislijst
Behorende bij mijn aanvullend verzoekschrift (procedurenummer 05 / 1407 WAO).

Bijlage: Psychiater E.
Dit is het dossier van de procedure bij het Tuchtcollege. Voor de volledigheid zitten hier ook stukken bij die al in het dossier zitten.

Datum Beschrijving

1.                    Oproep.
2.                    Opdracht deskundigenonderzoek.
3.  26 oktober 1994   Psychiatrisch rapport.
4.  8 december 1998   Brief aan psychiater E..
5.  1 februari 1999   Nogmaals brief aan psychiater E..
6.  11 februari 1999  Reactie op brief.
7.  4 maart 1999      Brief aan psychiater E..
8.  22 maart 1999     Reactie op brief.
9.  12 mei 1999       Eigen "bespreking" van psychiatrisch rapport.
10. 22 juni 1999      Klaagschrift en machtiging.
11. 5 augustus 1999   Verweerschrift.
12. 16 september 1999 Repliek.
13. 24 oktober 1999   Dupliek.
14. 22 december 1999  Brief aan Regionaal Tuchtcollege.
15. 28 maart 2000     Proces-verbaal van zitting.
16. 28 maart 2000     Pleitnota.
17. 15 november 2000  Beslissing: College wijst klacht af.
18. 6 december 2000   Advocaat legt praktijk neer, nieuwe advocaat.
19. 5 maart 2001      Voorlopig beroepschrift hoger beroep.
20. 23 april 2001     Beroepschrift, aanvullende gronden.
21. 4 mei 2001        Verweerschrift.
22. 5 juni 2001       Reactie op verweerschrift.
23. 25 juni 2001      Brief van Arrondissementsrechtbank over dossier.
24. 2 augustus 2001   Reactie van psychiater E..
25. 4 december 2001   Beslissing: psychiater krijgt waarschuwing.

Bijlage: Overig

Datum Beschrijving

26. 19 november 2002  Beslissing Centrale Raad van Beroep
27. 18 maart 2003     Beslissing van het CTG over verzekeringsarts dhr. L..
28. 17 oktober 2003   Uitspraak College van Beroep van het N.I.P., met als bijlage:
29. 5 juni 2002       Uitspraak College van Toezicht van het N.I.P.
30. 7 december 2004   Beslissing van het CTG over verzekeringsarts dhr. K..
31. 10 januari 2006   Stroomdiagram. Een overzicht bij tweede verzoek voor herziening.


Er bleek een foute datum in mijn aanvullend verzoekschrift te staan. Bij punt 12 noemde ik een brief van 31 januari 1994, maar daar bedoelde ik de brief van 2 februari 1994.
En ik gebruik twee keer het woord "beroepschrift", terwijl ik ook het woord "verzoekschrift" gebruik, en ook ben ik niet consequent met de woorden "voorlopig" en "aanvullend". Het woordt "verzoekschrift" lijkt de juiste benaming, omdat dat ook door de rechtbank wordt gebruikt.

In de brief hierboven schreef ik over een evaluatiegesprek bij het Riagg, dat ben ik later een "aanmeld-gesprek" gaan noemen.

Vervolgens ontving ik het verweerschrift.
Hieronder staat eerst de begeleidende brief van de Rechtbank.

thumbnail

de Rechtspraak
Rechtbank M.

Sector bestuursrecht

De heer D.

datum 2 februari 2006
ons kenmerk procedurenummer 05 / 1407 WAO
onderwerp het beroep van D. te ###

Geachte heer,

Met betrekking tot bovengenoemde beroepsprocedure zend ik u een kopie van de op de procedure betrekking hebbende stukken, die door verweerder zijn ingezonden. Tevens treft u hierbij aan het door verweerder ingediende verweerschrift. Hiermee is de administratieve voorbehandeling van de procedure afgesloten.

U krijgt zo spoedig mogelijk bericht over het verdere verloop van de procedure.

Hoogachtend,
griffier


thumbnail thumbnail

UWV
B.

Datum -1 FEB. 2006
Van Klantencontactcentrum T ###, F ###
Ons kenmerk ###
Uw kenmerk 05/1407 WAO

Rechtbank
Sector Bestuursrecht
M.

Onderwerp
Het verzoek van de heer D. te ### tot toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht.

VERWEERSCHRIFT

De heer D. heeft bij u een verzoek ingediend een tweetal uitspraken in procedures geregistreerd onder nummer AAW/WAO 93/732 en nummer AAW/WAO 94/432 te herzien. Kennelijk betreft het hier een tweede verzoek om herziening.
In uw brief van 21 december 2005 heeft u ons gevraagd om stukken die betrekking hebben op deze zaak. Deze stukken ontvangt u hierbij.
Naar aanleiding van het aanvullend verzoekschrift merken wij het volgende op.
Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht kan de rechtbank op verzoek een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die
a.   hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak
b.   bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c.   waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Naar onze mening baseert de heer D. zijn verzoek tot toepassing van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht met name op beslissingen van het Regionaal en Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, welke beslissingen niet zijn genomen voor de uitspraken van de rechtbank. Op grond hiervan en gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 april 2001 (NJB 2001 nr. 9) kunnen uw uitspraken volgens ons reeds daarom niet worden herzien. Voorts waren de feiten en omstandigheden op grond waarvan de heer D. de tuchtcolleges heeft ingeschakeld naar onze mening reeds bekend vóór de uitspraken van de rechtbank en heeft hij ook overigens in het aanvullend verzoekschrift gewezen op (medische) stukken, die voor uw uitspraken bekend waren. Tenslotte leiden wij uit het inleidend verzoekschrift d.d. 15 december 2005 af dat de heer D. al eerder een verzoek tot herziening heeft ingediend. In dit kader wijzen wij er onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 oktober 1996 (3B 1996 nr. 248) op dat er een kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht wordt gemaakt indien tweemaal een herzieningsverzoek is ingediend waarbij wederom geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, die tot herziening zouden kunnen leiden.

Hoogachtend,
Namens de Raad van bestuur
van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
mr. G4.
beambte bezwaar en beroep

Bijlage(n): stukken


Als bijlage zat er een dossier van 2,2 kg bij. Daarbij ontbraken zoals gewoonlijk allerlei papieren. En er was geen inhoudsopgave.

Ik stuurde onderstaande brief naar de jurist van het UWV, waarbij het vooral gaat om het opvragen van wat de nummers betekenen die in het verleden als diagnose werden opgeschreven.

thumbnail thumbnail

Aan: UWV B.
afdeling Bezwaar en Beroep
t.a.v. dhr. mr. G4., beambte bezwaar en beroep
B.

Per fax: ###

Datum : 2 maart 2006
Uw kenmerk : B&B ###
Betreft : dossier + vraag over diagnosecodes
Bijlagen :
    • Melding/Adviesaanvraag aan GMD, d.d. 1 december 1992.
    • advies GMD, d.d. 24 februari 1993.

Geachte heer G4.,

1.   Bij uw brief van 1 februari 2006 heeft u stukken naar de Rechtbank verzonden. Daarbij ontbreken een aantal stukken.

Over de handgeschreven medische kaart van dokter L. uit 1997 en de uitgewerkte versie daarvan (met een door mij aangebrachte correctie) is al een en ander geschreven, en volgens mij ontbreken die nu allebei.

Van het medisch onderzoeksverslag van 11 augustus 2003 heeft u wel de gewijzigde versie van bladzijde 3 in het dossier opgenomen, maar niet de gewijzigde versie van bladzijde 1, waar een mededeling bij was geschreven dat het een gewijzigd rapport betreft. Dat vind ik wat verwarrend.

2.   De computeruitdraaien met de arbeidsmogelijkhedenlijst en verwoordingen en omschrijvingen, bevinden zich in het dossier bij 1997 en 1999. Dat lijkt mij niet correct omdat die zijn gemaakt op 4 februari 2003.
In het rapport van bezwaar-arbeidsdeskundige dhr. B6. van 4 februari 2003 schrijft hij dat hij op 4 februari 2003 het FIS heeft geraadpleegd. Hij schrijft in een nieuwe rapport van 2 september 2003 daar nog eens over, maar toen zijn volgens mij geen nieuwe uitdraaien gemaakt.
Het is misschien een goed idee als u op de eerste bladzijde van die computeruitdraaien vermeldt dat ze op 4 februari 2003 gemaakt zijn. In ieder geval horen ze in het dossier bij 2003 geplaatst te worden, zo ook bij een eventuele inventarislijst.

3.   In uw verweerschrift van 1 februari 2006 wekt u de indruk dat u niet bekend bent met mijn eerste verzoek voor herziening. Toch heeft u daarvoor zelf het verweerschrift, d.d. 9 april 2002, geschreven. Tijdens de zitting werd het UWV echter vertegenwoordigd door dhr. L2..
Ik neem aan dat u het dossier van mijn eerste verzoek voor herziening bij de Rechtbank kunt opvragen, of eventueel kan ik u dat toezenden.

4.   Kunt u mij laten weten waar de volgende diagnose-codes voor staan?
• Zw-diagnose code "0309" op het formulier "Melding/Adviesaanvraag aan Gemeenschappelijke Medische Dienst" van 1 december 1992 (zie bijlage).
• Diagnose "780.7", en Nevendiagnose "301.9" op het advies van de GMD van 24 februari 1993 (zie bijlage).

Met vriendelijke groet,
D.


Op bovenstaande brief kreeg ik geen antwoord, daarom stuurde een aangetekende brief van 10 april 2006.

De Rechtbank heeft opeens een uitspraak gedaan. Hieronder staat eerst de begeleidende brief.

thumbnail

de Rechtspraak
Rechtbank M.
Sector bestuursrecht

AANTEKENEN

De heer D.

datum 24 maart 2006
onderdeel
contactpersoon mevr O.
doorkiesnummer ###
ons kenmerk procedurenummer 05 / 1407 WAO NOME
    casusnummer
uw kenmerk
bijlage(n)
onderwerp toezending kopie uitspraak en mededeling rechtsmiddel.

Geachte heer,

Hierbij zend ik u een kopie van de uitspraak waarbij op het beroep is beslist.

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan. Indien u van dit rechtsmiddel gebruik wenst te maken dient u binnen 6 weken na de dagtekening van deze brief een verzetschrift aan deze rechtbank te zenden. Daarin vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt. U kunt daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Hoogachtend,
###
griffier

Vanaf heden heeft de rechtbank M. één postadres:
Postbus ###, M.
Voor de sector kanton, locatie T. blijft het adres: Postbus ###, T.


thumbnail thumbnail

RECHTBANK M.
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer

UITSPRAAK
met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: Awb 05/1407
Inzake: D. wonende te ###, verzoeker,
tegen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

I. Procesverloop

Bij uitspraak van 2 maart 1995 heeft de rechtbank de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van het bestuur der Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging (thans: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen) van 19 oktober 1993 (AAW/WAO 93/732) en 19 april 1994 (AAW/WAO 94/432) ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat genoemde uitspraak na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn onherroepelijk is geworden.

Bij verzoekschrift van 12 maart 2002 heeft verzoeker om herziening van de uitspraak van 2 maart 1995 verzocht. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.

Verzoeker heeft op 15 december 2005 opnieuw een verzoek tot herziening ingediend.

II. Overwegingen

1. De aanleiding voor het herzieningsverzoek is de klacht van verzoeker tegen de orthopedisch chirurg S2., die in 1994 door de rechtbank als deskundige werd aangewezen. Volgens verzoeker heeft de op deze klacht gevolgde tuchtrechtelijke procedure -de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege Den Haag (beslissing van 12 oktober 2004) en bij het Centraal Tuchtcollege (beslissing van 10 november 2005) - nieuwe gegevens opgeleverd die een wezenlijk andere kijk geven op de gegevens zoals die ten tijde van de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995 bekend waren.

2. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

3. Ingevolge 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de rechtbank op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de rechtbank eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4. De rechtbank stelt vast dat de procedures bij het Regionaal Tuchtcollege en het Centraal Tuchtcollege plaatsvonden na de uitspraak van de rechtbank van 2 maart 1995. Derhalve is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die reeds voor de uitspraak (2 maart 1995) hebben plaatsgevonden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Hetgeen door verzoeker is aangevoerd kan dan ook niet leiden tot herziening van voornoemde uitspraak. Het herzieningsverzoek is aldus kennelijk ongegrond.

5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het onderzoek met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb te sluiten en onmiddellijk uitspraak te doen.

III. Uitspraak

De Rechtbank M.
verklaart het verzoek tot herziening ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op 24 MRT 2006
door mr. N1., in tegenwoordigheid van mr. S., griffier.

Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen deze uitspraak verzet te doen bij de rechtbank. Het doen van verzet geschiedt door een gemotiveerd verzetschrift in te dienen bij de rechtbank binnen een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Afschrift verzonden op: 24 MRT 2006


Met mijn brief van 4 januari 2007 heb ik de Rechtbank gevraagd, om deze uitspraak op rechtspraak.nl te plaatsen. Enkele dagen later stond deze uitspraak daar onder nummer LJN: AZ5774.
Deeplink naar de site van de rechtbank:
    www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AZ5774 (geldig in 2013).
De rechtbank heeft bij publicatie van die uitspraak niet al mijn naw-gegegevens (naam-adres-woonplaats) anoniem gemaakt, en dat is in strijd met hun eigen anonimiseringsrichtlijnen.

Volgens de rechtbank zelf heeft rechter N1. geen bijbanen. Maar op Internet vond ik dat hij als jurist voor een ziekenhuis heeft gewerkt, en dat hij als secretaris bij een Regionaal Medisch Tuchtcollege heeft gewerkt.
Een probleem is echter dat er twee rechters zijn (één geboren in 1923 en één geboren in 1957), die beide dezelfde naam en dezelfde voorletters hebben. Zij hebben gedeeltelijk ook nog bij dezelfde rechtbanken gewerkt. Ik wist dus niet zeker of deze rechter bij het Regionaal Medisch Tuchtcollege heeft gewerkt.
In mijn brief van 4 januari 2007 vraag ik dat aan de Rechtbank. En met hun brief van 11 januari 2007 laat de Rechtbank weten dat deze rechter inderdaad bij het Medisch Tuchtcollege heeft gewerkt.

Deze uitspraak druist erg tegen mijn rechtsgevoel in. Ik tekende verzet aan tegen deze uitspraak met een verzetschrift.

Laatste wijziging van deze bladzijde: maart 2013